Jezussirach 34
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Ijdele en bedriegelijke hoop is goed voor een zot, En droomgezichten brengen de dwazen van streek;
1ΚΕΝΑΙ ἐλπίδες καὶ ψευδεῖς ἀσυνέτῳ ἀνδρί, καὶ ἐνύπνια ἀναπτεροῦσιν ἄφρονας.
2Zoals iemand naar een schaduw grijpt of de wind najaagt, Zo is hij, die op dromen vertrouwt.
2ὡς δρασσόμενος σκιᾶς καὶ διώκων ἄνεμον, οὕτως ὁ ἐπέχων ἐνυπνίοις.
3Een droomgezicht: dat is het een in plaats van het ander; In plaats van een gelaat de schim van een gelaat.
3τοῦτο κατὰ τούτου ὅρασις ἐνυπνίων, κατέναντι προσώπου ὁμοίωμα προσώπου.
4Wat reins kan er komen van iets dat onrein is; En welke waarheid van de leugen?
4ἀπὸ ἀκαθάρτου τί καθαρισθήσεται; καὶ ἀπὸ ψευδοῦς τί ἀληθεύσει;
5Waarzeggerij, wichelarij en dromen zijn ijdel; Want het hart beeldt zich in, wat het hoopt.
5μαντεῖαι καὶ οἰωνισμοὶ καὶ ἐνύπνια μάταιά ἐστι, καὶ ὡς ὠδινούσης φαντάζεται καρδία.
6Komen ze niet van den Allerhoogste als een openbaring, Schenk er dan geen aandacht aan.
6ἐὰν μὴ παρὰ Ὑψίστου ἀποσταλῇ ἐν ἐπισκοπῇ, μὴ δῷς εἰς αὐτὰ τὴν καρδίαν σου·
7Want de droom heeft reeds velen bedrogen, En die er op hoopten, teleurgesteld;
7πολλοὺς γὰρ ἐπλάνησε τὰ ἐνύπνια, καὶ ἐξέπεσον ἐλπίζοντες ἐπ᾿ αὐτοῖς.
8Maar de Wet gaat zonder bedrog in vervulling, De wijsheid in de mond van wetsgetrouwen komt uit.
8Ἄνευ ψεύδους συντελεσθήσεται νόμος, καὶ σοφία στόματι πιστῷ τελείωσις.
9Een man van ervaring weet veel; Want wie veel heeft beleefd, kan verstandig spreken.
9ἀνὴρ πεπαιδευμένος ἔγνω πολλά, καὶ ὁ πολύπειρος ἐκδιηγήσεται σύνεσιν.
10Wie niets ondervond, weet weinig; Maar wie veel heeft gereisd, deed veel kennis op.
10ὃς οὐκ ἐπειράθη ὀλίγα οἶδεν, ὁ δὲ πεπλανημένος πληθυνεῖ πανουργίαν.
11Veel heb ik gezien op mijn tochten, En mij overkwam veel meer dan ik zeg:
11πολλὰ ἑώρακα ἐν τῇ ἀποπλανήσει μου, καὶ πλείονα τῶν λόγων μου σύνεσίς μου.
12Zelfs was ik vaak in doodsgevaren, Maar door Gods hulp werd ik eruit gered.
12πλεονάκις ἕως θανάτου ἐκινδύνευσα καὶ διεσώθην τούτων χάριν.
13De geest van die Jahweh vrezen, zal leven, Want hun hoop is op hun Redder gesteld.
13πνεῦμα φοβουμένων Κύριον ζήσεται, ἡ γὰρ ἐλπὶς αὐτῶν ἐπὶ τὸν σώζοντα αὐτούς.
14Wie Jahweh vreest, is niet beangst En niet versaagd, want Hij zelf is zijn hoop.
14ὁ φοβούμενος Κύριον οὐδὲν εὐλαβηθήσεται καὶ οὐ μὴ δειλιάσῃ, ὅτι αὐτὸς ἐλπὶς αὐτοῦ.
15Wie Jahweh vreest, gelukkig zijn ziel! Wie is het, op wien hij vertrouwt, en Wie is zijn steun?
15φοβουμένου τὸν Κύριον μακαρία ἡ ψυχή· τίνι ἐπέχει καὶ τίς ἀντιστήριγμα αὐτοῦ;
16De ogen van Jahweh rusten op wie Hem beminnen; Hij is een machtig schild en een sterke steun, Een beschutting tegen de hitte, een schaduw voor de middagzon, Een stut bij struikelen en een hulp bij vallen;
16οἱ ὀφθαλμοὶ Κυρίου ἐπὶ τοὺς ἀγαπῶντας αὐτόν· ὑπερασπισμὸς δυναστείας καὶ στήριγμα ἰσχύος, σκέπη ἀπὸ καύσωνος καὶ σκέπη ἀπὸ μεσημβρίας, φυλακὴ ἀπὸ προσκόμματος καὶ βοήθεια ἀπὸ πτώσεως,
17Hij verkwikt de ziel, en verlicht de ogen, Hij schenkt genezing, leven en zegen.
17ἀνυψῶν ψυχὴν καὶ φωτίζων ὀφθαλμούς, ἴασιν διδούς, ζωὴν καὶ εὐλογίαν.
18Een offer uit onrechtvaardig goed is een bezoedeld offer; Zo'n bespotting van de zondaren vindt geen behagen.
18Θυσιάζων ἐξ ἀδίκου, προσφορὰ μεμωκημένη, καὶ οὐκ εἰς εὐδοκίαν δωρήματα ἀνόμων.
19De offers der zondaars zijn niet welgevallig aan God, En om de veelheid der offers vergeeft Hij geen zonden.
19οὐκ εὐδοκεῖ ὁ Ὓψιστος ἐν προσφοραῖς ἀσεβῶν, οὐδὲ ἐν πλήθει θυσιῶν ἐξιλάσκεται ἁμαρτίας.
20Al wie een zoon vermoordt voor het oog van zijn vader, Is hij, die offers brengt uit het bezit van de armen.
20θύων υἱὸν ἔναντι τοῦ πατρὸς αὐτοῦ ὁ προσάγων θυσίαν ἐκ χρημάτων πενήτων.
21Het brood der behoeftigen is het leven der armen, En wie er van rooft, is een man des bloeds;
21ἄρτος ἐπιδεομένων ζωὴ πτωχῶν, ὁ ἀποστερῶν αὐτὴν ἄνθρωπος αἱμάτων.
22Wie den naaste zijn levensonderhoud ontrooft, is een moordenaar, En wie het loon onthoudt aan zijn knecht, vergiet bloed.
22φονεύων τὸν πλησίον ὁ ἀφαιρούμενος συμβίωσιν, καὶ ἐκχέων αἷμα ὁ ἀποστερῶν μισθὸν μισθίου.
23De een bouwt op, de ander breekt af; Wat hebben zij er meer van dan last?
23εἷς οἰκοδομῶν, καὶ εἷς καθαιρῶν· τί ὠφέλησαν πλεῖον ἢ κόπους;
24De een bidt en de ander vloekt; Naar wiens stem zal Jahweh nu horen?
24εἷς εὐχόμενος καὶ εἷς καταρώμενος· τίνος φωνῆς εἰσακούσεται ὁ δεσπότης;
25Zo iemand na zijn reiniging weer een lijk aanraakt, Wat baat hem dan zijn reiniging?
25βαπτιζόμενος ἀπὸ νεκροῦ καὶ πάλιν ἁπτόμενος αὐτοῦ, τί ὠφέλησε τῷ λουτρῷ αὐτοῦ;
26Zo is het met hem, die vast om zijn zonden, En daarna weer hetzelfde gaat doen. Wie zal er luisteren naar zijn gebed; Wat baat hem dan zijn kastijding?
26οὕτως ἄνθρωπος νηστεύων ἐπὶ τῶν ἁμαρτιῶν αὐτοῦ καὶ πάλιν πορευόμενος καὶ τὰ αὐτὰ ποιῶν· τῆς προσευχῆς αὐτοῦ τίς εἰσακούσεται; καὶ τί ὠφέλησεν ἐν τῷ ταπεινωθῆναι αὐτόν;
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.