Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Ijdele en bedriegelijke hoop is goed voor een zot, En droomgezichten brengen de dwazen van streek;
1Ἀγρυπνία πλούτου ἐκτήκει σάρκας, καὶ ἡ μέριμνα αὐτοῦ ἀφιστᾷ ὕπνον.
2Zoals iemand naar een schaduw grijpt of de wind najaagt, Zo is hij, die op dromen vertrouwt.
2Μέριμνα ἀγρυπνίας ἀπαιτήσει νυσταγμὸν, καὶ ἀῤῥώστημα βαρὺ ἐκνήψει ὕπνος.
3Een droomgezicht: dat is het een in plaats van het ander; In plaats van een gelaat de schim van een gelaat.
3Ἐκοπίασε πλούσιος ἐν συναγωγῇ χρημάτων, καὶ ἐν τῇ ἀναπαύσει ἐμπίπλαται τῶν τρυφημάτων αὐτοῦ·
4Wat reins kan er komen van iets dat onrein is; En welke waarheid van de leugen?
4ἐκοπίασε πτωχὸς ἐν ἐλαττώσει βίου, καὶ ἐν τῇ ἀναπαύσει ἐπιδεὴς γίνεται.
5Waarzeggerij, wichelarij en dromen zijn ijdel; Want het hart beeldt zich in, wat het hoopt.
5Ὁ ἀγαπῶν χρυσίον οὐ δικαιωθήσεται, καὶ ὁ διώκων διαφθορὰν, αὐτὸς πλησθήσεται.
6Komen ze niet van den Allerhoogste als een openbaring, Schenk er dan geen aandacht aan.
6Πολλοὶ ἐδόθησαν εἰς πτῶμα χάριν χρυσίου, καὶ ἐγενήθη ἀπώλεια αὐτῶν κατὰ πρόσωπον αὐτῶν.
7Want de droom heeft reeds velen bedrogen, En die er op hoopten, teleurgesteld;
7Ξύλον προσκόμματός ἐστι τοῖς ἐνθυσιάζουσιν αὐτῷ, καὶ πᾶς ἄφρων ἁλώσεται ἐν αὐτῷ.
8Maar de Wet gaat zonder bedrog in vervulling, De wijsheid in de mond van wetsgetrouwen komt uit.
8Μακάριος πλούσιος ὃς εὑρέθη ἄμωμος, καὶ ὃς ὀπίσω χρυσίου οὐκ ἐπορεύθη.
9Een man van ervaring weet veel; Want wie veel heeft beleefd, kan verstandig spreken.
9Τίς ἐστι καὶ μακαριοῦμεν αὐτόν; ἐποίησε γὰρ θαυμάσια ἐν λαῷ αὐτοῦ.
10Wie niets ondervond, weet weinig; Maar wie veel heeft gereisd, deed veel kennis op.
10Τίς ἐδοκιμάσθη ἐν αὐτῷ καὶ ἐτελειώθη, καὶ ἔστω εἰς καύχησιν; τίς ἐδύνατο παραβῆναι, καὶ οὐ παρέβη, καὶ ποιῆσαι κακὰ, καὶ οὐκ ἐποίησε;
11Veel heb ik gezien op mijn tochten, En mij overkwam veel meer dan ik zeg:
11Στερεωθήσεται τὰ ἀγαθὰ αὐτοῦ, καὶ τὰς ἐλεημοσύνας αὐτοῦ ἐκδιηγήσεται ἐκκλησία.
12Zelfs was ik vaak in doodsgevaren, Maar door Gods hulp werd ik eruit gered.
12Ἐπὶ τραπέζης μεγάλης ἐκάθισας; μὴ ἀνοίξῃς ἐπʼ αὐτῆς φάρυγγά σου· καὶ μὴ εἴπῃς, πολλά γε τὰ ἐπʼ αὐτῆς.
13De geest van die Jahweh vrezen, zal leven, Want hun hoop is op hun Redder gesteld.
13Μνήσθητι ὅτι κακὸν ὀφθαλμὸς πονηρὸς, πονηρότερον ὀφθαλμοῦ τί ἔκτισται; διὰ τοῦτο ἀπὸ παντὸς προσώπου δακρύει.
14Wie Jahweh vreest, is niet beangst En niet versaagd, want Hij zelf is zijn hoop.
14Οὗ ἐὰν ἐπιβλέψῃ, μὴ ἐκτείνῃς χεῖρα, καὶ μὴ συνθλίβου αὐτῷ ἐν τρυβλίῳ.
15Wie Jahweh vreest, gelukkig zijn ziel! Wie is het, op wien hij vertrouwt, en Wie is zijn steun?
15Νόει τὰ τοῦ πλησίον ἐκ σεαυτοῦ, καὶ ἐπὶ παντὶ πράγματι διανοοῦ.
16De ogen van Jahweh rusten op wie Hem beminnen; Hij is een machtig schild en een sterke steun, Een beschutting tegen de hitte, een schaduw voor de middagzon, Een stut bij struikelen en een hulp bij vallen;
16Φάγε ὡς ἄνθρωπος τὰ παρακείμενά σοι, καὶ μὴ διαμασῷ, μὴ μισηθῇς.
17Hij verkwikt de ziel, en verlicht de ogen, Hij schenkt genezing, leven en zegen.
17Παῦσαι πρῶτος χάριν παιδείας, καὶ μὴ ἀπληστεύου, μήποτε προσκόψῃς.
18Een offer uit onrechtvaardig goed is een bezoedeld offer; Zo'n bespotting van de zondaren vindt geen behagen.
18Καὶ εἰ ἀναμέσον πλειόνων ἐκάθισας, πρότερος αὐτῶν μὴ ἐκτείνῃς τὴν χεῖρά σου.
19De offers der zondaars zijn niet welgevallig aan God, En om de veelheid der offers vergeeft Hij geen zonden.
19Ὡς ἱκανὸν ἀνθρώπῳ πεπαιδευμένῳ τὸ ὀλίγον, καὶ ἐπὶ τῆς κοίτης αὐτοῦ οὐκ ἀσθμαίνει.
20Al wie een zoon vermoordt voor het oog van zijn vader, Is hij, die offers brengt uit het bezit van de armen.
20Ὕπνος ὑγείας ἐπὶ ἐντέρῳ μετρίῳ, ἀνέστη πρωῒ, καὶ ἡ ψυχὴ αὐτοῦ μετʼ αὐτοῦ· πόνος ἀγρυπνίας καὶ χολέρας καὶ στρόφος μετὰ ἀνδρὸς ἀπλήστου.
21Het brood der behoeftigen is het leven der armen, En wie er van rooft, is een man des bloeds;
21Καὶ εἰ ἐβιάσθης ἐν ἐδέσμασιν, ἀνάστα μεσοπωρῶν καὶ ἀναπαύσῃ.
22Wie den naaste zijn levensonderhoud ontrooft, is een moordenaar, En wie het loon onthoudt aan zijn knecht, vergiet bloed.
22Ἄκουσόν μου τέκνον καὶ μὴ ἐξουδενώσῃς με, καὶ ἐπʼ ἐσχάτῳ εὑρήσεις τοὺς λόγους μου· ἐν πᾶσι τοῖς ἔργοις σου γίνου ἐντρεχὴς, καὶ πᾶν αρρώστημα οὐ μή σοι ἀπαντήσῃ.
23De een bouwt op, de ander breekt af; Wat hebben zij er meer van dan last?
23Λαμπρὸν ἐπʼ ἄρτοῖς εὐλογήσει χείλη, καὶ μαρτυρία τῆς καλλονῆς αὐτοῦ πιστή.
24De een bidt en de ander vloekt; Naar wiens stem zal Jahweh nu horen?
24Πονηρῷ ἐπʼ ἄρτῳ διαγογγύσει πόλις, καὶ ἡ μαρτυρία τῆς πονηρίας αὐτοῦ ἐκριβής.
25Zo iemand na zijn reiniging weer een lijk aanraakt, Wat baat hem dan zijn reiniging?
25Ἐν οἴνῳ μὴ ἀνδρίζου, πολλοὺς γὰρ ἀπώλεσεν ὁ οἶνος·
26Zo is het met hem, die vast om zijn zonden, En daarna weer hetzelfde gaat doen. Wie zal er luisteren naar zijn gebed; Wat baat hem dan zijn kastijding?
26Κάμινος δοκιμάζει στόμωμα ἐν βαφῇ, οὕτως οἶνος καρδίας ἐν μάχῃ ὑπερηφάνων.
no verse 27 in this text
27Ἐπίσον ζωῆς οἶνος ἀνθρώπῳ, ἐὰν πίνῃς αὐτὸν μέτρῳ αὐτοῦ· τίς ζωὴ ἐλασσουμένῳ οἴνῳ; καὶ αὐτὸς ἔκτισται εἰς εὐφροσύνην ἀνθρώποις.
no verse 28 in this text
28Ἀγαλλίαμα καρδίας καὶ εὐφροσύνη ψυχῆς οἶνος πινόμενος ἐν καιρῷ αὐτάρκης·
no verse 29 in this text
29πικρία ψυχῆς οἶνος πινόμενος πολὺς, ἐν ὀρεθισμῷ καὶ ἀντιπτώματι.
no verse 30 in this text
30Πληθύνει μέθη θυμὸν ἄφρονος εἰς πρόσκομμα, ἐλαττῶν ἰσχὺν καὶ προσποιῶν τραύματα.
no verse 31 in this text
31Ἐν συμποσίῳ οἴνου μὴ ἐλέγξῃς τὸν πλησίον, καὶ μὴ ἐξουδενώσῃς αὐτὸν ἐν εὐφροσύνῃ αὐτοῦ· λόγον ὀνειδισμοῦ μὴ εἴπῃς αὐτῷ, καὶ μὴ αὐτὸν θλίψῃς ἐν ἀπαιτήσει. ΠΕΡΙ ἩΓΟΥΜΕΝΩΝ.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.