Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Wie de Wet onderhoudt, brengt vele offers; Wie de geboden vervult, een vrede-offer.
1Ἡγούμενων σε κατέστησαν; μὴ ἐπαίρου, γίνου ἐν αὐτοῖς ὡς εἷς ἐξ αὐτῶν· φρόντισον αὐτῶν, καὶ οὕτω κάθισον,
2Wie de liefde beoefent, draagt een spijsoffer op; Wie een aalmoes geeft, een offer van dank.
2καὶ πᾶσαν τὴν χρείαν σου ποιήσας ἀνάπεσε, ἵνα εὐφρανθῇς διʼ αὐτοὺς, καὶ εὐκοσμίας χάριν λάβῃς στέφανον.
3Een Gode behaaglijk offer is het, de zonde te mijden, En een zoenoffer, zich te onthouden van kwaad.
3Λάλησον πρεσβύτερε, πρέπει γάρ σοι, ἐν ἀκριβεῖ ἐπιστήμῃ, καὶ μὴ ἐμποδίσῃς μουσικά.
4Verschijn dus niet met lege handen voor Jahweh; Want dit alles moet geschieden, zoals het is voorgeschreven.
4Ὅπου ἀκρόαμα, μὴ ἐκχέῃς λαλιὰν, καὶ ἀκαίρως μὴ σοφίζου.
5Het offer van den brave is als vet op het altaar, Als een lieflijke geur voor den Allerhoogste;
5Σφραγὶς ἄνθρακος ἐπὶ κόσμῳ χρυσῷ, σύγκριμα μουσικῶν ἐν συμποσίῳ οἴνου.
6Het offer van een rechtvaardige is welbehaaglijk, En zal voortdurend in herinnering blijven.
6Ἐν κατασκευάσματι χρυσῷ σφραγὶς σμαράγδου μέλος μουσικῶν ἐφʼ ἡδεῖ οἴνῳ.
7Breng met gulheid Jahweh uw lof, En verminder de eerstelingen uwer handen niet;
7Λάλησον νεανίσκε εἰ χρεία σου, μόλις δὶς ἐὰν ἐπερωτηθῇς.
8Zet een vrolijk gezicht bij iedere gave, En offer blijmoedig uw tienden.
8Κεφαλαίωσον λόγον, ἐν ὀλίγοις πολλὰ, γίνου ὡς γινώσκων καὶ ἅμα σιωπῶν.
9Geef aan God, naar gelang Hij u schonk, Met vreugde en naar uw vermogen;
9Ἐν μέσῳ μεγιστάνων μὴ ἐξισάζου, καὶ ἑτέρου λέγοντος μὴ πολλὰ ἀδολέσχει.
10Want Hij is een God van vergelding, Die u zevenvoudig teruggeeft.
10Πρὸ βροντῆς κατασπεύδει ἀστραπὴ, καὶ πρὸ αἰσχυντηροῦ προελεύσεται χάρις.
11Tracht niet, Hem om te kopen, want Hij neemt het niet aan, En vertrouw niet op een offer van onrecht;
11Ἐν ὥρᾳ ἐξεγείρου καὶ μὴ οὐράγει, ἀπότρεχε εἰς οἶκον καὶ μὴ ῥαθύμει.
12Want Hij is een rechtvaardig God, Hij kent geen aanzien des persoons.
12Ἐκεῖ παῖζε καὶ ποίει τὰ ἐνθυμήματά σου, καὶ μὴ ἁμάρτῃς λόγῳ ὑπερηφάνῳ.
13Hij is niet partijdig tegen den arme; Neen, Hij luistert naar het geween der verdrukten.
13Καὶ ἐπὶ τούτοις εὐλόγησον τὸν ποιήσαντά σε, καὶ μεθύσκοντά σε ἀπὸ τῶν ἀγαθῶν αὐτοῦ.
14Hij wijst het zuchten der wezen niet af, Noch dat van de weduwe, als zij blijft klagen.
14Ὁ φοβούμενος Κύριον ἐκδέξεται παιδείαν, καὶ οἱ ὀρθρίζοντες εὑρήσουσιν εὐδοκίαν.
15Lopen de tranen haar niet langs de wangen, En getuigt niet haar zuchten tegen wie ze deed stromen?
15Ὁ ζητῶν νόμον ἐμπλησθήσεται αὐτοῦ, καὶ ὁ ὑποκρινόμενος σκανδαλισθήσεται ἐν αὐτῷ.
16Haar klagen zal genade vinden, En haar smeken dringt door de wolken heen.
16Οἱ φοβούμενοι Κύριον εὑρήσουσι κρίμα, καὶ δικαιώματα ὡς φῶς ἐξάψουσιν.
17Het schreien van den verdrukte dringt door de wolken, En rust niet, voordat het God heeft bereikt;
17Ἄνθρωπος ἁμαρτωλὸς ἐκκλίνει ἐλεγμὸν, καὶ κατὰ τὸ θέλημα αὐτοῦ εὑρήσει σύγκριμα.
18Het wijkt niet, totdat de Allerhoogste er op neerziet, En de rechtvaardige Rechter recht heeft verschaft.
18Ἀνὴρ βουλῆς οὐ μὴ παρίδῃ διανόημα, ἀλλότριος καὶ ὑπερήφανος οὐ καταπτήξει φόβον, καὶ μετὰ τὸ ποιῆσαι μετʼ αὐτοῦ ἄνευ βουλῆς.
19Neen, God zal niet dralen; Als een krijgsheld deinst Hij niet terug,
19Ἄνευ βουλῆς μηθὲν ποιήσῃς, καὶ ἐν τῷ ποιῆσαί σε μὴ μεταμελοῦ.
20Tot Hij den verdrukker de lenden heeft verbrijzeld, En op de volkeren zijn wraak heeft gekoeld;
20Ἐν ὁδῷ ἀντιπτώματος μὴ πορεύου, καὶ μὴ προσκόψῃς ἐν λιθώδεσι.
21Tot Hij de staf der trotsen heeft veroverd, En de schepter der bozen gebroken;
21Μὴ πιστεύσῃς ἐν ὁδῷ ἀπροσκόπῳ,
22Tot Hij den mens zijn werk heeft vergolden: Het eigenmachtige doen van de mensen;
22καὶ ἀπὸ τῶν τέκνων σου φύλαξαι.
23Tot Hij de zaak van zijn volk heeft beslecht, En het heeft verblijd met zijn heil!
23Ἐν παντὶ ἔργῳ πίστευε τῇ ψυχῇ σου, καὶ γὰρ τοῦτό ἐστι τήρησις ἐντολῶν.
24Lieflijk is zijn ontferming ten tijde van druk, Als een onweersbui ten tijde van droogte.
24Ὁ πιστεύων νόμῳ προσέχει ἐντολαῖς, καὶ ὁ πεποιθὼς Κυρίῳ οὐκ ἐλαττωθήσεται.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.