Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Hij die in eeuwigheid leeft, en het heelal heeft geschapen,
1Ὁ ζῶν εἰς τὸν αἰῶνα ἔκτισε τὰ πάντα κοινῇ.
2Jahweh alleen wordt rechtvaardig bevonden.
2Κύριος μόνος δικαιωθήσεται.
4Geen mens is in staat, zijn werken te melden; Wie zou zijn grootheid kunnen doorgronden?
4Οὐθενὶ ἐξεποίησεν ἐξαγγεῖλαι τὰ ἔργα αὐτοῦ· καὶ τίς ἐξιχνιάσει τὰ μεγαλεῖα αὐτοῦ;
5Wie zou zijn grote macht kunnen meten, Of wie zijn barmhartigheid kunnen verhalen?
5Κράτος μεγαλωσύνης αὐτοῦ τίς ἐξαριθμήσεται; καὶ τίς προσθήσει ἐκδιηγήσασθαι τὰ ἐλέη αὐτοῦ;
6Niets kan men er af doen en niets er aan toevoegen: Jahweh's wonderwerken zijn niet te doorgronden.
6Οὐκ ἔστιν ἐλαττῶσαι οὐδὲ προσθεῖναι, καὶ οὐκ ἔστιν ἐξιχνιάσαι τὰ θαυμάσια τοῦ Κυρίου.
7Als de mens er mee eindigt, is het pas begonnen; Als hij er mee ophoudt, staat hij verlegen.
7Ὅταν συντελέσῃ ἄνθρωπος τότε ἄρχεται, καὶ ὅταν παύσηται τότε ἀπορηθήσεται.
8Wat is de mens en waartoe van nut; Wat brengt hij voor voordeel of nadeel?
8Τί ἄνθρωπος, καὶ τί ἡ χρῆσις αὐτοῦ; τί τὸ ἀγαθὸν αὐτοῦ, καὶ τί τὸ κακὸν αὐτοῦ;
9Het getal zijner dagen is op zijn hoogst honderd jaar;
9Ἀριθμὸς ἡμερῶν ἀνθρώπου πολλὰ ἔτη ἑκατόν.
10Een druppel water der zee, een korreltje zand.
10Ὡς σταγὼν ὕδατος ἀπὸ θαλάσσης καὶ ψῆφος ἄμμου, οὕτως ὀλίγα ἔτη ἐν ἡμέρᾳ αἰῶνος.
11Daarom is Jahweh lankmoedig met hem, En stort Hij zijn erbarming over hem uit.
11Διὰ τοῦτο ἐμακροθύμησε Κύριος ἐπʼ αὐτοῖς, καὶ ἐξέχεεν ἐπʼ αὐτοὺς τὸ ἔλεος αὐτοῦ.
12Hij ziet en weet, hoe moeilijk zij zich bekeren; Daarom vermeerdert Hij nog zijn erbarmen.
12Εἶδε καὶ ἐπέγνω τὴν καταστροφὴν αὐτῶν ὅτι πονηρὰ, διὰ τοῦτο ἐπλήθυνε τὸν ἐξιλασμὸν αὐτοῦ.
13Een mens ontfermt zich slechts over zijn naaste, Maar God ontfermt Zich over alle vlees. Hij tuchtigt, bestraft en onderricht, En leidt als een herder zijn kudde;
13Ἔλεος ἄνθρώπου ἐπὶ τὸν πλησίον αὐτοῦ, ἔλεος δὲ Κυρίου ἐπὶ πᾶσαν σάρκα, ἐλέγχων καὶ παιδεύων καὶ διδάσκων καὶ ἐπιστρέφων ὡς ποιμὴν τὸ ποίμνιον αὐτοῦ.
14Hij ontfermt Zich over hen, die zijn tucht aanvaarden, En zich beijveren voor zijn wetten.
14Τοὺς ἐκδεχομένους παιδείαν ἐλεεῖ, καὶ τοὺς κατασπεύδοντας ἐπὶ τὰ κρίματα αὐτοῦ.
15Kind, voeg bij uw gave geen verwijt, Geen krenkend woord bij een gift.
15Τέκνον, ἐν ἀγαθοῖς μὴ δῷς μῶμον, καὶ ἐν πάσῃ δόσει λύπην λόγων.
16Brengt de dauw geen verkoeling na de hitte? Zo is een goed woord beter nog dan een gave.
16Οὐχὶ καύσωνα ἀναπαύσει δρόσος; οὕτως κρείσσων λόγος ἢ δόσις.
17Zie, gaat een goed woord niet een goede gave te boven? Een beminnelijk man beschikt over beide;
17Οὐκ ἰδοὺ λόγος ὑπὲρ δόμα ἀγαθόν; καὶ ἀμφότερα παρὰ ἀνδρὶ κεχαριτωμένῳ.
18Maar een dwaas doet liefdeloos verwijten, En de gift van zo'n vitter perst tranen uit de ogen.
18Μωρὸς ἀχαρίστως ὀνειδιεῖ, καὶ δόσις βασκάνου ἐκτήκει ὀφθαλμούς.
19Vóór ge spreekt, moet ge leren, En genezen, eer de ziekte er is.
19Πρινὴ λαλῆσαι μάνθανε, καὶ πρὸ ἀῤῥωστίας θεραπεύου.
20Onderzoek uzelf vóór het oordeel, Om op het uur der bezoeking erbarming te vinden;
20Πρὸ κρίσεως ἐξέταζε σεαυτόν, καὶ ἐν ὥρᾳ ἐπισκοπῆς εὑρήσεις ἐξιλασμόν.
21Vóórdat ge ziek wordt, moet ge u vernederen, Ten tijde der zonden reeds bekering tonen.
21Πρὶν ἀῤῥωστῆσαί σε ταπεινώθητι, καὶ ἐν καιρῷ ἁμαρτημάτων δεῖξον ἐπιστροφήν.
22Verzuim niet, op tijd een belofte te vervullen, En wacht niet tot de dood, om die schuld te voldoen.
22Μὴ ἐμποδισθῇς τοῦ ἀποδοῦναι εὐχὴν εὐκαίρως, καὶ μὴ μείνῃς ἕως θανάτου δικαιωθῆναι.
23Eer ge iets belooft, moet ge u bezinnen; Wees niet als een mens, die Jahweh beproeft.
23Πρὶν εὔξασθαι ἑτοίμασον σεαυτὸν, και μὴ γίνου ὡς ἄνθρωπος πειράζων τὸν Κύριον.
24Denk aan de toorn op de dag van het einde, Aan de tijd der vergelding, als God Zich afkeert;
24Μνήσθητι θυμοῦ ἐν ἡμέραις τελευτῆς, καὶ καιρὸν ἐκδικήσεως ἐν ἀποστροφῇ προσώπου.
25Denk aan de honger ten tijde van weelde, Aan armoe en gebrek in dagen van rijkdom.
25Μνήσθητι καιρὸν λιμοῦ ἐν καιρῷ πλησμονῆς, πτωχείαν καὶ ἔνδειαν ἐν ἡμέραις πλούτου.
26Van 's morgens tot 's avonds wisselt de tijd; Alles ijlt voorbij voor het aanschijn van Jahweh.
26Ἀπὸ πρωΐθεν ἕως ἑσπέρας μεταβάλλει καιρὸς, καὶ πάντα ἐστὶ ταχινὰ ἔναντι Κυρίου.
27Een verstandig man neemt zich bij alles in acht, En wacht zich in zondige tijden voor een misstap.
27Ἄνθρωπος σοφὸς ἐν παντὶ εὐλαβηθήσεται, καὶ ἐν ἡμέραις ἁμαρτιῶν προσέξει ἀπὸ πλημμελείας·
28Wie verstandig is, wil wijsheid leren, En prijst hem, die haar heeft gevonden.
28πᾶς συνετὸς ἔγνω σοφίαν, καὶ τῷ εὑρόντι αὐτὴν δώσει ἐξομολόγησιν.
29Die spreuken verstaan, onderrichten de wijsheid, En brengen scherpzinnige gelijkenissen voort.
29Συνετοὶ ἐν λόγοις καὶ αὐτοὶ ἐσοφίσαντο, καὶ ἀνώμβρησαν παροιμίας ἀκριβεῖς. ἘΓΚΡΑΤΕΙΑ ΨΥΧΗΣ.
30Loop niet achter uw begeerten aan, En houd u ver van uw lusten;
30Ὀπίσω τῶν ἐπιθυμιῶν σου μὴ πορεύου, καὶ ἀπὸ τῶν ὀρέξεών σου κωλύου.
31Als ge u toestaat, wat de hartstocht wil, Maakt ge uzelf tot een vreugd voor uw vijand.
31Ἐὰν χορηγήσεῃς τῇ ψυχῇ σου εὐδοκίαν ἐπιθυμίας, ποιήσει σε ἐπίχαρμα τῶν ἐχθρῶν σου.
32Verheug u niet over een weinig genot, Want dubbel zwaar valt dan het gemis;
32Μὴ εὐφραίνου ἐπὶ πολλῇ τρυφῇ, μηδὲ προσδεθῇς συμβολῇ αὐτῆς.
33Wees geen verkwister en geen drinker, Want dan blijft er niets in de buidel.
33Μὴ γίνου πτωχὸς συμβολοκοπῶν ἐκ δανεισμοῦ, καὶ οὐδέν σοι ἐστὶν ἐν μαρσυπείῳ.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.