Jezussirach 31
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1De slapeloosheid van een rijke teert zijn lichaam uit, En tobben verdrijft hem de slaap;
1Κέναι ἐλπίδες καὶ ψευδεῖς ἀσυνέτῳ ἀνδρὶ, καὶ ἐνύπνια ἀναπτεροῦσιν ἄφρονας.
2De zorg voor zijn onderhoud houdt hem wakker, En brengt meer slapeloosheid dan een ernstige kwaal.
2Ὡς δρασσόμενος σκιᾶς καὶ διώκων ἄνεμον, οὕτως ὁ ἐπέχων ἐνυπνίοις.
3De rijke slooft zich af, om schatten op te hopen, En houdt hij er mee op, hij kan genieten;
3Τοῦτο κατὰ τούτου ὅρασις ἐνυπνίων, κατέναντι πρωσώπου ὁμοίωμα προσώπου.
4Maar de arme slooft zich af en verspilt zijn kracht, En gaat hij rusten, hij lijdt gebrek.
4Ἀπὸ ἀκαθάρτου τί καθαρισθήσεται; καὶ ἀπὸ ψευδοῦς τί ἀληθεύσει;
5Wie het goud najaagt, blijft niet zonder schuld, En wie het geld bemint, geraakt in zonde.
5Μαντεῖαι καὶ οἰωνισμοὶ καὶ ἐνύπνια, μάταιά ἐστι, καὶ ὡς ὠδινούσης φαντάζεται καρδία.
6Velen reeds werden verstrikt door het goud, Of door hun vertrouwen te stellen in paarlen;
6Ἐὰν μὴ παρὰ ὑψίστου ἀποσταλῇ ἐν ἐπισκοπῇ, μὴ δῷς εἰς αὐτὰ τὴν καρδίαν σου.
7Want het is een struikelblok voor de dwazen, Wie onverstandig is, raakt erin verstrikt.
7Πολλοὺς ἐπλάνησε τὰ ἐνύπνια, καὶ ἐξέπεσον ἐλπίζοντες ἐπʼ αὐτοῖς.
8Gelukkig de rijke, die ongerept wordt bevonden, En de mammon niet na loopt.
8Ἄνευ ψεύδους συντελεσθήσεται νόμος, καὶ σοφία στόματι πιστῷ τελείωσις.
9Wie is hij: dan gaan wij hem prijzen; Want iets groots volbracht hij bij zijn volk.
9Ἀνὴρ πεπαιδευμένος ἔγνω πολλὰ, καὶ ὁ πολύπειρος ἐκδιηγήσεται σύνεσιν.
10Wie werd er beproefd en ongerept bevonden? Het zal hem strekken tot roem. Wie kon zondigen en deed het niet, Kwaad doen en wilde het niet?
10Ὃς οὐκ ἐπειράθη ὀλίγα οἶδεν, ὁ δὲ πεπλανημένος πληθυνεῖ πανουργίαν.
11Daarom is zijn geluk bestendig, En de gemeente verkondigt zijn lof.
11Πολλὰ ἑώρακα ἐν τῇ ἀποπλανήσει μου, καὶ πλείονα τῶν λόγων μου, σύνεσίς μου.
12Als ge aanzit aan de dis van een grote, Zet dan geen gulzige mond daarbij op. Zeg niet: “Er is van alles genoeg;”
12Πλεονάκις ἕως θανάτου ἐκινδύνευσα, καὶ διεσώθην τούτων χάριν.
13Bedenk, dat jaloerse ogen een ramp zijn. Jaloerser dan het oog heeft God niet geschapen; Daarom stort het bij alles tranen.
13Πνεῦμα φοβουμένων Κυρὶον ζήσεται, ἡ γὰρ ἐλπὶς αὐτῶν ἐπὶ τὸν σώζοντα αὐτούς.
14Kijkt iemand naar iets, strek er uw hand niet naar uit, En tast niet met hem in dezelfde schotel.
14Ὁ φοβούμενος Κύριον οὐ μὴ εὐλαβηθήσεται, καὶ οὐ μὴ δειλιάσῃ, ὅτι αὐτὸς ἐλπὶς αὐτοῦ.
15Bedenk, dat uw disgenoot is als gij zelf: Let dus op alles, waar ge hekel aan hebt;
15Φοβουμένου τὸν Κύριον μακαρία ἡ ψυχή· τίνι ἐπέχει, καὶ τίς ἀντιστήριγμα αὐτοῦ;
16Eet als een man van wat men u voorzet, En niet met lange tanden, anders wordt ge veracht.
16Οἱ ὀφθαλμοὶ Κυρίου ἐπὶ τοὺς ἀγαπῶντας αὐτὸν, ὑπερασπισμὸς δυναστείας καὶ στήριγμα ἰσχύος, σκέπη ἀπὸ καύσωνος καὶ σκέπη ἀπὸ μεσημβρίας, φυλακὴ ἀπὸ προσκόμματος καὶ βοήθεια ἀπὸ πτώματος, ἀνυψῶν ψυχὴν καὶ φωτίζων ὀφθαλμοὺς.
17Houd het eerst op, uit beleefdheid; Smak niet bij het eten, anders wordt ge bespot;
17ἴασιν διδοὺς, ζωὴν καὶ εὐλογίαν.
18En zijt ge met velen aangezeten, Steek dan uw hand niet voor den ander heen.
18Θυσιάζων ἐξ ἀδίκου, προσφορὰ μεμωκημένη, καὶ οὐκ εἰς εὐδοκίαν μωκήματα ἀνόμων.
19Heeft een verstandig mens niet aan weinig genoeg? Hij zal er geen hinder van hebben op bed. Maar de dwaas heeft last van slapeloosheid, Van pijn en draaien der ingewanden.
19Οὐκ εὐδοκεῖ ὁ ὕψιστος ἐν προσφοραῖς ἀσεβῶν, οὐδὲ ἐγ πλήθει θυσιῶν ἐξιλάσκεται ἁμαρτίας.
20Gezond is de slaap bij een lege maag; En als men 's morgens opstaat, is men fris.
20Θύων υἱὸν ἔναντι τοῦ πατρὸς αὐτοῦ, ὁ προσάγων θυσίαν ἐκ χρημάτων πενήτων.
21Dwingt men u dus, veel te eten, Spuw het uit, het zal u verlichten.
21Ἄρτος ἐπιδεομένων, ζωὴ πτωχῶν, ὁ ἀποστερῶν αὐτὴν ἄνθρωπος αἱμάτων.
22Luister, mijn zoon, en versmaad mij niet; Dan zult ge ten slotte mijn woorden verstaan: Wees bescheiden bij al uw doen, Dan zal geen schade u treffen.
22Φὸνεύων τὸν πλησίον ὁ ἀφαιρούμενος συμβίωσιν, καὶ ἐκχέων αἷμα ὁ ἀποστερῶν μισθὸν μισθίου.
23Wie aan tafel wellevend is, wordt geprezen, Zijn goede manieren worden altijd geloofd;
23Εἷς οἰκοδομῶν, καὶ εἷς καθαιρῶν, τί ὠφέλησαν πλεῖον ἢ κόπους;
24Maar over een lomperd spreekt men schande in de poort, Men vergeet zijn ongemanierdheid niet.
24Εἷς εὐχόμενος, καὶ εἷς καταρώμενος, τίνος φωνῆς εἰσακούσεται ὁ δεστότης;
25Wees ook geen held bij de wijn; Want de wijn bracht velen ten val.
25Βαπτιζόμενος ἀπὸ νεκροῦ, καὶ πάλιν ἁπτόμενος αὐτοῦ, τί ὠφέλησε τῷ λουτρῷ αὐτοῦ;
26Zoals het werk van den smid wordt beproefd in de oven, Zo ontpopt zich grootspraak door de wijn.
26Οὕτως ἄνθρωπος νηστεύων ἐπὶ τῶν ἁμαρτιῶν αὐτοῦ, καὶ πάλιν πορευόμενος, καὶ τὰ αὐτὰ ποιῶν· τῆς προσευχῆς αὐτοῦ τίς εἰσακούσεται; καὶ τί ὠφέλησεν ἐν τῷ ταπεινωθῆναι αὐτόν;
27De wijn is voor den mens een levenswater, Als hij hem met mate drinkt. Wat is het leven zonder wijn? Hij werd in den beginne voor de vreugde geschapen!
no verse 27 in this text
28Vreugde voor het hart, blijdschap en genot, Is de wijn, wordt hij matig gedronken;
no verse 28 in this text
29Maar hoofdpijn, schelden en twist brengt de wijn, Wordt hij te haastig en driftig gezwolgen.
no verse 29 in this text
30Veel wijn is voor den dwaas een valstrik, Het verteert zijn kracht en veroorzaakt wonden.
no verse 30 in this text
31Berisp uw vriend niet bij een wijngelag, En minacht hem niet bij zijn vreugde; Spreek hem geen harde woorden toe, En plaag hem niet met oude schulden.
no verse 31 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.