Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Hij die in eeuwigheid leeft, en het heelal heeft geschapen,
1[Qui vivet in æternum creavit omnia simul. Deus solus justificabitur, et manet invictus rex in æternum.
2Jahweh alleen wordt rechtvaardig bevonden.
2Quis sufficit enarrare opera illius?
no verse 3 in this text
3quis enim investigabit magnalia ejus?
4Geen mens is in staat, zijn werken te melden; Wie zou zijn grootheid kunnen doorgronden?
4virtutem autem magnitudinis ejus quis enuntiabit? aut quis adjiciet enarrare misericordiam ejus?
5Wie zou zijn grote macht kunnen meten, Of wie zijn barmhartigheid kunnen verhalen?
5Non est minuere neque adjicere, nec est invenire magnalia Dei.
6Niets kan men er af doen en niets er aan toevoegen: Jahweh's wonderwerken zijn niet te doorgronden.
6Cum consummaverit homo, tunc incipiet: et cum quieverit, aporiabitur.
7Als de mens er mee eindigt, is het pas begonnen; Als hij er mee ophoudt, staat hij verlegen.
7Quid est homo? et quæ est gratia illius? et quid bonum aut quid nequam illius?
8Wat is de mens en waartoe van nut; Wat brengt hij voor voordeel of nadeel?
8Numerus dierum hominum, ut multum centum anni, quasi gutta aquæ maris deputati sunt: et sicut calculus arenæ, sic exigui anni in die ævi.
9Het getal zijner dagen is op zijn hoogst honderd jaar;
9Propter hoc patiens est Deus in illis, et effundit super eos misericordiam suam.
10Een druppel water der zee, een korreltje zand.
10Vidit præsumptionem cordis eorum, quoniam mala est: et cognovit subversionem illorum, quoniam nequam est.
11Daarom is Jahweh lankmoedig met hem, En stort Hij zijn erbarming over hem uit.
11Ideo adimplevit propitiationem suam in illis, et ostendit eis viam æquitatis.
12Hij ziet en weet, hoe moeilijk zij zich bekeren; Daarom vermeerdert Hij nog zijn erbarmen.
12Miseratio hominis circa proximum suum: misericordia autem Dei super omnem carnem.
13Een mens ontfermt zich slechts over zijn naaste, Maar God ontfermt Zich over alle vlees. Hij tuchtigt, bestraft en onderricht, En leidt als een herder zijn kudde;
13Qui misericordiam habet, docet et erudit quasi pastor gregem suum.
14Hij ontfermt Zich over hen, die zijn tucht aanvaarden, En zich beijveren voor zijn wetten.
14Miseretur excipientis doctrinam miserationis, et qui festinat in judiciis ejus.]
15Kind, voeg bij uw gave geen verwijt, Geen krenkend woord bij een gift.
15[Fili, in bonis non des querelam, et in omni dato non des tristitiam verbi mali.
16Brengt de dauw geen verkoeling na de hitte? Zo is een goed woord beter nog dan een gave.
16Nonne ardorem refrigerabit ros? sic et verbum melius quam datum.
17Zie, gaat een goed woord niet een goede gave te boven? Een beminnelijk man beschikt over beide;
17Nonne ecce verbum super datum bonum? sed utraque cum homine justificato.
18Maar een dwaas doet liefdeloos verwijten, En de gift van zo'n vitter perst tranen uit de ogen.
18Stultus acriter improperabit: et datus indisciplinati tabescere facit oculos.
19Vóór ge spreekt, moet ge leren, En genezen, eer de ziekte er is.
19Ante judicium para justitiam tibi, et antequam loquaris, disce.
20Onderzoek uzelf vóór het oordeel, Om op het uur der bezoeking erbarming te vinden;
20Ante languorem adhibe medicinam: et ante judicium interroga teipsum, et in conspectu Dei invenies propitiationem.
21Vóórdat ge ziek wordt, moet ge u vernederen, Ten tijde der zonden reeds bekering tonen.
21Ante languorem humilia te, et in tempore infirmitatis ostende conversationem tuam.
22Verzuim niet, op tijd een belofte te vervullen, En wacht niet tot de dood, om die schuld te voldoen.
22Non impediaris orare semper, et ne verearis usque ad mortem justificari, quoniam merces Dei manet in æternum.
23Eer ge iets belooft, moet ge u bezinnen; Wees niet als een mens, die Jahweh beproeft.
23Ante orationem præpara animam tuam, et noli esse quasi homo qui tentat Deum.
24Denk aan de toorn op de dag van het einde, Aan de tijd der vergelding, als God Zich afkeert;
24Memento iræ in die consummationis, et tempus retributionis in conversatione faciei.
25Denk aan de honger ten tijde van weelde, Aan armoe en gebrek in dagen van rijkdom.
25Memento paupertatis in tempore abundantiæ, et necessitatum paupertatis in die divitiarum.
26Van 's morgens tot 's avonds wisselt de tijd; Alles ijlt voorbij voor het aanschijn van Jahweh.
26A mane usque ad vesperam immutabitur tempus, et hæc omnia citata in oculis Dei.
27Een verstandig man neemt zich bij alles in acht, En wacht zich in zondige tijden voor een misstap.
27Homo sapiens in omnibus metuet, et in diebus delictorum attendet ab inertia.
28Wie verstandig is, wil wijsheid leren, En prijst hem, die haar heeft gevonden.
28Omnis astutus agnoscit sapientiam, et invenienti eam dabit confessionem.
29Die spreuken verstaan, onderrichten de wijsheid, En brengen scherpzinnige gelijkenissen voort.
29Sensati in verbis et ipsi sapienter egerunt, et intellexerunt veritatem et justitiam, et impleverunt proverbia et judicia.]
30Loop niet achter uw begeerten aan, En houd u ver van uw lusten;
30[Post concupiscentias tuas non eas, et a voluntate tua avertere.
31Als ge u toestaat, wat de hartstocht wil, Maakt ge uzelf tot een vreugd voor uw vijand.
31Si præstes animæ tuæ concupiscentias ejus, faciat te in gaudium inimicis tuis.
32Verheug u niet over een weinig genot, Want dubbel zwaar valt dan het gemis;
32Ne oblecteris in turbis nec in modicis: assidua enim est commissio illorum.
33Wees geen verkwister en geen drinker, Want dan blijft er niets in de buidel.
33Ne fueris mediocris in contentione ex fœnore, et est tibi nihil in sacculo: eris enim invidus vitæ tuæ.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.