Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Stelt men u als leider aan, verhef u niet, Maar wees in hun kring als een der hunnen; Zorg eerst voor hen en ga dan zitten,
1[Rectorem te posuerunt? noli extolli: esto in illis quasi unus ex ipsis.
2Geef ieder het nodige en neem dan plaats. Dan eren zij u tot uw vreugde, En ontvangt ge de krans voor uw beleid.
2Curam illorum habe, et sic conside, et omni cura tua explicita recumbe:
3Grijsaard, spreek want dat komt u toe; Maar bescheiden en wijs, zonder het zingen te storen.
3ut læteris propter illos, et ornamentum gratiæ accipias coronam, et dignationem consequaris corrogationis.
4Wordt er gezongen, spreek dan niet; Verkondig uw wijsheid niet ontijdig.
4Loquere major natu: decet enim te
5Als een karbonkel op een sieraad van goud. Is de melodie van een lied bij een drinkgelag;
5primum verbum diligenti scientia, et non impedias musicam.
6Als een zegel van smaragd, in goud gevat, Is de klank van het lied bij zoete wijn.
6Ubi auditus non est, non effundas sermonem, et importune noli extolli in sapientia tua.
7Jongeling, spreek alleen, wanneer het moet, Als men u twee- of driemaal dringend vraagt;
7Gemmula carbunculi in ornamento auri, et comparatio musicorum in convivio vini.
8Wees kort van stof en spreek heel weinig, Als iemand, die het wel weet, maar zwijgt.
8Sicut in fabricatione auri signum est smaragdi, sic numerus musicorum in jucundo et moderato vino.
9Voer onder ouderen niet het grote woord, En zwets niet te veel, waar voornamen zijn;
9Audi tacens, et pro reverentia accedet tibi bona gratia.
10Zoals de bliksem uitgaat voor de donder, Zo loopt de bescheidenheid de gunst vooruit.
10Adolescens, loquere in tua causa vix.
11Is de tijd gekomen, draal dan niet, Ga naar uw huis, en toef niet langer;
11Si bis interrogatus fueris, habeat caput responsum tuum.
12Daar kunt ge schertsen en u vermaken, Maar in vreze Gods, en zonder schande!
12In multis esto quasi inscius, et audi tacens simul et quærens.
13Dank dan uw Schepper voor dit alles, Die u verkwikte met zijn gaven.
13In medio magnatorum non præsumas: et ubi sunt senes non multum loquaris.
14Zesde reeks. De wijsheid en onze plichten van staat. Inleiding. Gods wet en het menselijk handelen. Wie God zoekt, ontvangt onderrichting; Wie op Hem acht, vindt welbehagen.
14Ante grandinem præibit coruscatio: et ante verecundiam præibit gratia, et pro reverentia accedet tibi bona gratia.
15Wie de Wet nastreeft, zal ze ook vinden; Maar wie huichelt, raakt er in verstrikt.
15Et hora surgendi non te trices: præcurre autem prior in domum tuam, et illic avocare, et illic lude,
16Wie Jahweh vreest, begrijpt wat recht is; Rechtvaardige oordelen ontstromen zijn hart.
16et age conceptiones tuas, et non in delictis et verbo superbo:
17Maar de zondaar ontwijkt het onderricht, En buigt de Wet naar eigen wil.
17et super his omnibus benedicito Dominum, qui fecit, et inebriantem te ab omnibus bonis suis.]
18Een bedachtzaam mens houdt de wijsheid voor ogen, Maar overmoedigen en spotters slaan geen acht op de Wet.
18[Qui timet Dominum excipiet doctrinam ejus: et qui vigilaverint ad illum invenient benedictionem.
19Onderneem dus niets zonder eerst te overleggen, Dan behoeft ge uw daden niet te berouwen;
19Qui quærit legem replebitur ab ea, et qui insidiose agit scandalizabitur in ea.
20Dan gaat ge geen weg, die vol ligt met strikken, En struikelt ge niet tweemaal over een hindernis.
20Qui timent Dominum invenient judicium justum, et justitias quasi lumen accendent.
21Waag u niet op de weg der bozen,
21Peccator homo vitabit correptionem, et secundum voluntatem suam inveniet comparationem.
22Maar geef acht op uw einde.
22Vir consilii non disperdet intelligentiam: alienus et superbus non pertimescet timorem:
23Bij al uw handelen, let op uw ziel, Want wie dat doet, onderhoudt de Wet;
23etiam postquam fecit cum eo sine consilio, et suis insectationibus arguetur.
24Wie de Wet onderhoudt, bewaart zijn ziel, Wie op God betrouwt, wordt niet te schande.
24Fili, sine consilio nihil facias, et post factum non pœnitebis.
no verse 25 in this text
25In via ruinæ non eas, et non offendes in lapides: nec credas te viæ laboriosæ, ne ponas animæ tuæ scandalum.
no verse 26 in this text
26Et a filiis tuis cave, et a domesticis tuis attende.
no verse 27 in this text
27In omni opere tuo crede ex fide animæ tuæ, hoc est enim conservatio mandatorum.
no verse 28 in this text
28Qui credit Deo attendit mandatis: et qui confidit in illo non minorabitur.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.