Jezussirach 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Mijn zoon, hebt ge gezondigd, doe het niet meer, En bid voor uw vroegere zonden.
1[Fili, peccasti, non adjicias iterum: sed et de pristinis deprecare, ut tibi dimittantur.
2Vlucht voor de zonde als voor een slang, Want als ge haar nadert, zal ze u bijten; Leeuwentanden zijn haar tanden, Ze verslinden de zielen der mensen.
2Quasi a facie colubri fuge peccata: et si accesseris ad illa, suscipient te.
3Iedere zonde is als een tweesnijdend zwaard; Geen genezing is er voor haar wonde.
3Dentes leonis dentes ejus, interficientes animas hominum.
4Bedreiging en hoogmoed verwoesten de rijkdom, Daardoor stort het huis van den trotse in puin;
4Quasi rhomphæa bis acuta omnis iniquitas: plagæ illius non est sanitas.
5Maar het gebed van den kleine dringt door tot Gods oor, En hem zal spoedig recht wedervaren.
5Objurgatio et injuriæ annullabunt substantiam, et domus quæ nimis locuples est annullabitur superbia: sic substantia superbi eradicabitur.
6Wie berisping haat, volgt het spoor van den zondaar; Maar wie God vreest, neemt ze ter harte.
6Deprecatio pauperis ex ore usque ad aures ejus perveniet, et judicium festinato adveniet illi.
7De snoever is alom bekend, Maar de verstandige merkt diens misstappen wel.
7Qui odit correptionem vestigium est peccatoris, et qui timet Deum convertetur ad cor suum.
8Wie zijn huis gaat bouwen met andermans geld, Is als een, die stenen vergaart voor de winter.
8Notus a longe potens lingua audaci, et sensatus scit labi se ab ipso.
9De bent der zondaars is een stapel vlas; Hun einde is het vlammende vuur.
9Qui ædificat domum suam impendiis alienis, quasi qui colligat lapides suos in hieme.
10De weg der zondaren is vrij van stenen; Maar aan het einde ervan ligt de diepte der hel.
10Stupa collecta synagoga peccantium, et consummatio illorum flamma ignis.
11Wie de Wet onderhoudt, is heer van zijn denken; Want wijsheid is het einde van de vreze des Heren.
11Via peccatorum complanata lapidibus: et in fine illorum inferi, et tenebræ, et pœnæ.]
12Wie niet schrander is, wordt niet geleerd; Maar er is ook een schranderheid, die vol bitterheid is.
12[Qui custodit justitiam, continebit sensum ejus.
13De kennis van een wijze zwelt aan als een stortvloed, En zijn schranderheid als een levende bron;
13Consummatio timoris Dei, sapientia et sensus.
14Maar het hart van den dwaas is als een gebroken kruik, Het kan geen enkele kennis behouden.
14Non erudietur qui non est sapiens in bono.
15Als de verstandige een wijs woord verneemt, Prijst hij het en voegt er een ander aan toe; Hoort de lichtzinnige het, dan walgt het hem, En hij werpt het achter zijn rug.
15Est autem sapientia quæ abundat in malo, et non est sensus ubi est amaritudo.
16Het gesprek van den dwaas is als een last op reis, Maar op de lippen van den wijze ligt bevalligheid;
16Scientia sapientis tamquam inundatio abundabit, et consilium illius sicut fons vitæ permanet.
17In de vergadering hangt men aan de mond van den wijze, En zijn woorden overdenkt men in het hart.
17Cor fatui quasi vas confractum, et omnem sapientiam non tenebit.
18Voor een dwaas is de wijsheid als een vervallen huis; Zijn kennis beperkt zich tot ordeloze woorden.
18Verbum sapiens quodcumque audierit scius, laudabit, et ad se adjiciet: audivit luxuriosus, et displicebit illi, et projiciet illud post dorsum suum.
19De tucht is voor den dwaas als kluisters aan de voeten, Als boeien aan de rechterhand.
19Narratio fatui quasi sarcina in via: nam in labiis sensati invenietur gratia.
20Lacht de dwaas, hij schatert het uit; De wijze echter glimlacht nauwelijks.
20Os prudentis quæritur in ecclesia, et verba illius cogitabunt in cordibus suis.
21De tucht is voor den wijze als een sieraad van goud, Als een armband aan de rechterhand.
21Tamquam domus exterminata, sic fatuo sapientia: et scientia insensati inenarrabilia verba.
22De dwaas rent hals-over-kop de huizen binnen, Maar een man van ervaring blijft bescheiden buiten;
22Compedes in pedibus, stulto doctrina: et quasi vincula manuum super manum dextram.
23De dwaas gluurt door de deur naar binnen, Maar een welopgevoed man blijft buiten staan.
23Fatuus in risu exaltat vocem suam: vir autem sapiens vix tacite ridebit.
24Het staat onbeschaafd, aan de deur te luisteren; Een wijs man zou daarbij van schaamte vergaan.
24Ornamentum aureum prudenti doctrina, et quasi brachiale in brachio dextro.
25De dwaas heeft de mond vol over anderen; De wijze weegt zijn woorden op een schaal.
25Pes fatui facilis in domum proximi: et homo peritus confundetur a persona potentis.
26De dwazen hebben het hart in de mond; De wijze heeft zijn mond in het hart.
26Stultus a fenestra respiciet in domum: vir autem eruditus foris stabit.
27Als een dwaas den satan vervloekt, Dan vervloekt hij zichzelf;
27Stultitia hominis auscultare per ostium: et prudens gravabitur contumelia.
28Wie kwaadspreekt, schandvlekt zichzelf, En is gehaat in heel de buurt.
28Labia imprudentium stulta narrabunt; verba autem prudentium statera ponderabuntur.
no verse 29 in this text
29In ore fatuorum cor illorum, et in corde sapientium os illorum.
no verse 30 in this text
30Dum maledicit impius diabolum, maledicit ipse animam suam.
no verse 31 in this text
31Susurro coinquinabit animam suam, et in omnibus odietur, et qui cum eo manserit odiosus erit: tacitus et sensatus honorabitur.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.