Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Kinderen, luistert naar het woord van uw vader, En handelt er naar, opdat het u wel ga.
1[Filii sapientiæ ecclesia justorum, et natio illorum obedientia et dilectio.
2Want de Heer heeft den vader gesteld over de kinderen, En het recht van de moeder over haar zonen vastgelegd.
2Judicium patris audite, filii, et sic facite, ut salvi sitis.
3Wie zijn vader eerbiedigt, krijgt vergiffenis van zonden,
3Deus enim honoravit patrem in filiis: et judicium matris exquirens, firmavit in filios.
4En wie zijn moeder eert, verzamelt zich schatten.
4Qui diligit Deum exorabit pro peccatis, et continebit se ab illis, et in oratione dierum exaudietur.
5Wie zijn vader acht, beleeft vreugde aan zijn kinderen; En wanneer hij bidt, zal hij worden verhoord.
5Et sicut qui thesaurizat, ita et qui honorificat matrem suam.
6Wie zijn vader eert, zal lang blijven leven, En wie den Heer gehoorzaamt, verkwikt zijn moeder.
6Qui honorat patrem suum jucundabitur in filiis, et in die orationis suæ exaudietur.
7Wie den Heer vreest, eert zijn vader en moeder, En dient zijn ouders als zijn meesters.
7Qui honorat patrem suum vita vivet longiore, et qui obedit patri refrigerabit matrem.
8Mijn zoon, geef eer aan uw vader, in woord en daad, Opdat u niets overkome dan zegen.
8Qui timet Dominum honorat parentes, et quasi dominis serviet his qui se genuerunt.
9De zegen van vader bevestigt de wortel, De vloek van moeder rukt de aanplanting uit.
9In opere, et sermone, et omni patientia, honora patrem tuum,
10Ga niet groot op de schande van uw vader; Want dat is voor u geen eer.
10ut superveniat tibi benedictio ab eo, et benedictio illius in novissimo maneat.
11De roem van een man is de eer van zijn vader, Zijn grootste smaad de schande van zijn moeder.
11Benedictio patris firmat domos filiorum: maledictio autem matris eradicat fundamenta.
12Mijn zoon, kom op voor de eer van uw vader, En verwaarloos ze niet al de dagen uws levens.
12Ne glorieris in contumelia patris tui: non enim est tibi gloria ejus confusio.
13Als zijn geest verzwakt, wees dan toegevend; Veracht hem nooit, zolang hij leeft.
13Gloria enim hominis ex honore patris sui, et dedecus filii pater sine honore.
14De weldaad, aan vader bewezen, wordt nimmer vergeten, Maar als een offer voor de zonde u toegerekend.
14Fili, suscipe senectam patris tui, et non contristes eum in vita illius:
15Op de dag van nood zal ze u worden herdacht, Als hitte op rijp smelt ze uw zonde weg.
15et si defecerit sensu, veniam da, et ne spernas eum in virtute tua: eleemosyna enim patris non erit in oblivione.
16Maar wie zijn vader veracht, is een booswicht; En wie zijn moeder vervloekt, beledigt zijn Schepper.
16Nam pro peccato matris restituetur tibi bonum:
17Mijn zoon, als ge rijk zijt, wandel in deemoed, En ge wordt meer bemind dan wie geschenken geeft.
17et in justitia ædificabitur tibi, et in die tribulationis commemorabitur tui, et sicut in sereno glacies, solventur peccata tua.
18Verneder uzelf voor al het grote der wereld; Dan zult ge barmhartigheid vinden bij God.
18Quam malæ famæ est qui derelinquit patrem, et est maledictus a Deo qui exasperat matrem !]
no verse 19 in this text
19[Fili, in mansuetudine opera tua perfice, et super hominum gloriam diligeris.
20Want groot is Gods barmhartigheid, Aan de nederigen openbaart Hij zijn raadsbesluit.
20Quanto magnus es, humilia te in omnibus, et coram Deo invenies gratiam:
21Streef niet naar wat u te boven gaat, En tracht het verborgene niet te doorgronden.
21quoniam magna potentia Dei solius, et ab humilibus honoratur.
22Denk alleen aan wat bereikbaar voor u is; Want wat verborgen is, hebt ge niet nodig.
22Altiora te ne quæsieris, et fortiora te ne scrutatus fueris: sed quæ præcepit tibi Deus, illa cogita semper, et in pluribus operibus ejus ne fueris curiosus.
23Verdiep u niet in wat u te boven gaat, Want te veel werd u reeds te zien gegeven;
23Non est enim tibi necessarium ea, quæ abscondita sunt, videre oculis tuis.
24Eindeloos immers zijn de gedachten der mensen, En boze voorstellingen misleiden.
24In supervacuis rebus noli scrutari multipliciter, et in pluribus operibus ejus non eris curiosus.
25Waar geen oogappel is, helpt geen licht; En wie geen verstand heeft, hem baat geen wijsheid.
25Plurima enim super sensum hominum ostensa sunt tibi:
26Met een vermetel hart loopt het slecht af; Maar wie het goede bemint, zal er wel bij varen. Een hart, dat twee wegen gaat, kent geen geluk; Want door zijn boosheid vindt het er zijn verderf.
26multos quoque supplantavit suspicio illorum, et in vanitate detinuit sensus illorum.
27Een vermetel hart zal veel pijn moeten lijden, Want in zijn verstoktheid stapelt het zonde op zonde.
27Cor durum habebit male in novissimo, et qui amat periculum in illo peribit.
28Loop niet om artsenij voor de wonde van den verwaande; Er is toch geen genezing, want zijn planting is slecht.
28Cor ingrediens duas vias non habebit successus, et pravus corde in illis scandalizabitur.
29Een verstandig hart begrijpt de spreuken der wijzen. En een oplettend oor verneemt de wijsheid graag. Wie verstandig en wijs is, houdt zich ver van de zonde, En legt zich op werken van gerechtigheid toe.
29Cor nequam gravabitur in doloribus, et peccator adjiciet ad peccandum.
30Zoals vlammend vuur wordt geblust met water, Zo wist gerechtigheid de zonde uit.
30Synagogæ superborum non erit sanitas, frutex enim peccati radicabitur in illis, et non intelligetur.
31Wie goed doet, gaat het goed in het leven; En mocht hij soms wankelen, dan vindt hij een steun.
31Cor sapientis intelligitur in sapientia, et auris bona audiet cum omni concupiscentia sapientiam.
no verse 32 in this text
32Sapiens cor et intelligibile abstinebit se a peccatis, et in operibus justitiæ successus habebit.]
no verse 33 in this text
33[Ignem ardentem exstinguit aqua, et eleemosyna resistit peccatis:
no verse 34 in this text
34et Deus prospector est ejus qui reddit gratiam: meminit ejus in posterum, et in tempore casus sui inveniet firmamentum.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.