Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Ik wil u prijzen, Jahweh, mijn Koning; U loven, God van mijn heil. Ik wil uw Naam roemen, stut van mijn leven,
1Oratio Jesu filii Sirach. [Confitebor tibi, Domine rex, et collaudabo te Deum salvatorem meum.
2Want Gij hebt mijn ziel gered van de dood; Gij hebt mijn lichaam voor het bederf bewaard, Mijn voeten aan de greep van de onderwereld ontrukt! Gij hebt mij gered van de gesel van lastertongen, Van lippen, die leugentaal uitslaan; Gij hebt mij bijgestaan tegen mijn vijand,
2Confitebor nomini tuo, quoniam adjutor et protector factus es mihi,
3En naar uw grote barmhartigheid mij bevrijd Uit de strikken van hen, die loerden op buit, Uit de hand van hen, die mijn leven belaagden. Gij hebt mij verlost uit grote benauwing,
3et liberasti corpus meum a perditione: a laqueo linguæ iniquæ, et a labiis operantium mendacium: et in conspectu astantium factus es mihi adjutor.
4Uit de vlammennood, die mij omgaf; Midden uit het vuur, dat zonder rust oplaaide,
4Et liberasti me, secundum multitudinem misericordiæ nominis tui, a rugientibus præparatis ad escam:
5Uit de dorre schoot van het dodenrijk; Van vuile lippen en lasterpraat,
5de manibus quærentium animam meam, et de portis tribulationum quæ circumdederunt me;
6En de pijlen van valse tongen. Mijn ziel was gekomen tot dicht bij de dood, Mijn leven dicht bij de onderwereld;
6a pressura flammæ quæ circumdedit me, et in medio ignis non sum æstuatus;
7Ik wendde mij naar alle kant, Maar er was niemand, die hielp; Ik zag uit naar een stut, Maar er was er niet één.
7de altitudine ventris inferi, et a lingua coinquinata, et a verbo mendacii, a rege iniquo, et a lingua injusta.
8Toen dacht ik aan Jahweh's barmhartigheid terug, En aan zijn goedheid van weleer: Hoe Hij redt, die op Hem vertrouwen, En hen van alle kwaad verlost!
8Laudabit usque ad mortem anima mea Dominum,
9Daarom verhief ik mijn stem van omlaag, Van de poorten der onderwereld rees mijn gebed.
9et vita mea appropinquans erat in inferno deorsum.
10Ik riep: “Jahweh, mijn Vader zijt Gij, Gij zijt de Held, die mij redt! Verlaat mij niet op de dag van benauwing, Op de dag van val en ondergang. Dan zal ik altijd uw Naam blijven loven, U blijven roemen in mijn gebed.”
10Circumdederunt me undique, et non erat qui adjuvaret: respiciens eram ad adjutorium hominum, et non erat.
11En Jahweh luisterde naar mijn stem, En gaf gehoor aan mijn smeken; Hij verloste mij van alle kwaad, En redde mij op de dag van benauwing.
11Memoratus sum misericordiæ tuæ Domine, et operationis tuæ, quæ a sæculo sunt:
12Daarom zal ik loven en prijzen En blijven zegenen de Naam van Jahweh!
12quoniam eruis sustinentes te, Domine, et liberas eos de manibus gentium.
13Toen ik nog jong was en niet rondreisde, Vroeg ik reeds wijsheid in mijn gebed;
13Exaltasti super terram habitationem meam, et pro morte defluente deprecatus sum.
14Voor de ingang van de tempel bad ik erom, En hield niet op, er naar te streven.
14Invocavi Dominum patrem Domini mei, ut non derelinquat me in die tribulationis meæ, et in tempore superborum, sine adjutorio.
15Zij gedijde als een rijpende druif, En mijn hart vond in haar zijn genot. Mijn voet ging de weg van haar waarheid, Van mijn jeugd af volgde ik haar spoor;
15Laudabo nomen tuum assidue, et collaudabo illud in confessione: et exaudita est oratio mea,
16Ik heb mijn oor slechts een weinig te luisteren gelegd, Maar veel kennis heb ik gevonden.
16et liberasti me de perditione, et eripuisti me de tempore iniquo.
17Haar juk werd mijn roem; Hem, die mij leerde, geef ik de eer.
17Propterea confitebor, et laudem dicam tibi, et benedicam nomini Domini.]
18Zonder rust zag ik naar haar uit, En werd niet beschaamd, want ik heb haar gevonden.
18[Cum adhuc junior essem, priusquam oberrarem, quæsivi sapientiam palam in oratione mea.
19Mijn ziel bleef haar altijd verkleefd; Ik zocht haar bij al mijn daden. Mijn hand opende haar poort; Ik trad bij haar binnen en aanschouwde haar.
19Ante templum postulabam pro illis, et usque in novissimis inquiram eam: et effloruit tamquam præcox uva.
20Ik legde mij erop toe, haar te volgen, En heb haar in reinheid gevonden. Van de aanvang af heb ik door haar inzicht verkregen; Daarom zal ik haar nimmer verlaten.
20Lætatum est cor meum in ea: ambulavit pes meus iter rectum: a juventute mea investigabam eam.
21Mijn binnenste brandde om haar te vinden; Daarom verwierf ik een heerlijk bezit.
21Inclinavi modico aurem meam, et excepi illam.
22Jahweh gaf mij welbespraaktheid als loon; Daarom prijs ik Hem met mijn tong.
22Multam inveni in meipso sapientiam, et multum profeci in ea.
23Komt dus tot mij, onverstandigen, En wilt in mijn leerschool vertoeven.
23Danti mihi sapientiam dabo gloriam:
24Hoelang nog wilt gij dit alles ontberen, Terwijl uw ziel er naar dorst?
24consiliatus sum enim ut facerem illam. Zelatus sum bonum, et non confundar.
25Ik open mijn mond, en roep u toe: Koopt u wijsheid zonder geld;
25Colluctata est anima mea in illa, et in faciendo eam confirmatus sum.
26Buigt uw nek onder haar juk, Uw ziel drage haar last. Zij is dicht bij hen, die haar zoeken, En wie zich moeite geeft, zal haar vinden.
26Manus meas extendi in altum, et insipientiam ejus luxi;
27Ziet met eigen ogen, hoe weinig ik zwoegde, En hoe groot de rust is, die ik vond.
27animam meam direxi ad illam, et in agnitione inveni eam.
28Luistert in uw jeugd naar mijn onderricht; Gij verwerft daardoor veel zilver en goud.
28Possedi cum ipsa cor ab initio: propter hoc, non derelinquar.
29Wanneer uw ziel in mijn leer haar genot vindt, Stelt mijn lofzang u niet teleur.
29Venter meus conturbatus est quærendo illam: propterea bonam possidebo possessionem.
30Verricht uw werken in gerechtigheid, En Hij geeft u te zijner tijd uw loon!
30Dedit mihi Dominus linguam mercedem meam, et in ipsa laudabo eum.
no verse 31 in this text
31Appropiate ad me, indocti, et congregate vos in domum disciplinæ.
no verse 32 in this text
32Quid adhuc retardatis? et quid dicitis in his? animæ vestræ sitiunt vehementer.
no verse 33 in this text
33Aperui os meum, et locutus sum: Comparate vobis sine argento,
no verse 34 in this text
34et collum vestrum subjicite jugo: et suscipiat anima vestra disciplinam: in proximo est enim invenire eam.
no verse 35 in this text
35Videte oculis vestris, quia modicum laboravi, et inveni mihi multam requiem.
no verse 36 in this text
36Assumite disciplinam in multo numero argenti, et copiosum aurum possidete in ea.
no verse 37 in this text
37Lætetur anima vestra in misericordia ejus, et non confundemini in laude ipsius.
no verse 38 in this text
38Operamini opus vestrum ante tempus, et dabit vobis mercedem vestram in tempore suo.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.