Jezussirach 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Een verstandig vorst houdt zijn volk in tucht, En het bestuur van een wijze is welgeordend.
1[Judex sapiens judicabit populum suum, et principatus sensati stabilis erit.
2Zoals de vorst van een volk, zo ook zijn beambten; En zoals het hoofd van een stad, zo ook haar bewoners.
2Secundum judicem populi, sic et ministri ejus: et qualis rector est civitatis, tales et inhabitantes in ea.
3Een onbesuisd koning brengt verderf over de stad, Maar de wijsheid van haar vorst brengt de stad tot bloei.
3Rex insipiens perdet populum suum: et civitates inhabitabuntur per sensum potentium.
4In de hand van God rust het bestuur van de wereld; In iedere tijd geeft Hij haar den geschikten man.
4In manu Dei potestas terræ: et utilem rectorem suscitabit in tempus super illam.
5In de hand van God ligt ieders gezag; Hij verleent den bestuurder zijn aanzien.
5In manu Dei prosperitas hominis, et super faciem scribæ imponet honorem suum.]
6Verdruk den naaste niet met geweld, En bewandel niet de weg van de hoogmoed.
6[Omnis injuriæ proximi ne memineris, et nihil agas in operibus injuriæ.
7Hoogmoed is gehaat bij God en de mensen, Bij beiden nog erger dan verdrukking.
7Odibilis coram Deo est et hominibus superbia, et execrabilis omnis iniquitas gentium.
8De heerschappij ging over van volk op volk, Ter oorzake van verdrukking en hoogmoed.
8Regnum a gente in gentem transfertur propter injustitias, et injurias, et contumelias, et diversos dolos.
9Wat durft stof en as zich verheffen, Wiens lichaam reeds bij zijn leven verteert.
9Avaro autem nihil est scelestius. Quid superbit terra et cinis?
10Een lichte ziekte: de dokter lacht; Heden nog koning: komt hij morgen ten val.
10Nihil est iniquius quam amare pecuniam: hic enim et animam suam venalem habet, quoniam in vita sua projecit intima sua.
11En sterft de mens, hij krijgt als zijn deel ontbinding en maden, ongedierte en wormen.
11Omnis potentatus brevis vita; languor prolixior gravat medicum.
12De trots begint, als de mens tot macht komt; Dan keert zijn hart zich af van zijn Schepper.
12Brevem languorem præcidit medicus: sic et rex hodie est, et cras morietur.
13Want de hoogmoed is een vergaarbak van zonde, Een bron, waaruit ongerechtigheid opborrelt. Daarom zal God dat hart met kwelling vervullen, En hem slaan tot vernietiging toe.
13Cum enim morietur homo, hæreditabit serpentes, et bestias, et vermes.
14De troon der hovaardigen stort God omver; Hij zet de deemoedigen in hun plaats.
14Initium superbiæ hominis apostatare a Deo:
no verse 15 in this text
15quoniam ab eo qui fecit illum recessit cor ejus, quoniam initium omnis peccati est superbia. Qui tenuerit illam adimplebitur maledictis, et subvertet eum in finem.
16De sporen der trotsen wist God uit, En hun stronk houwt Hij af tot de grond;
16Propterea exhonoravit Dominus conventus malorum, et destruxit eos usque in finem.
17Hij rukt ze uit het land en drijft ze weg, En doet hun gedachtenis van de aarde verdwijnen.
17Sedes ducum superborum destruxit Deus, et sedere fecit mites pro eis.
18Want hoogmoed past niet aan den mens, Verwaten trots niet aan het kind van de vrouw.
18Radices gentium superbarum arefecit Deus, et plantavit humiles ex ipsis gentibus.
19Welk mensengeslacht staat hoog in ere? Dat geslacht is in ere, dat God vreest. Welk mensengeslacht is zonder eer? Dat geslacht is veracht, dat de geboden overtreedt.
19Terras gentium evertit Dominus, et perdidit eas usque ad fundamentum.
20Zoals een vorst geëerd is in de kring van zijn broeders, Zo is een godvrezende geëerd in Gods ogen;
20Arefecit ex ipsis, et disperdidit eos, et cessare fecit memoriam eorum a terra.
no verse 21 in this text
21Memoria superborum perdidit Deus, et reliquit memoriam humilium sensu.
22Bijwoner, vreemdeling, buitenlander of arme: Hun aller roem is de vreze Gods.
22Non est creata hominibus superbia, neque iracundia nationi mulierum.]
23Veracht dus geen arme, die rechtschapen is, En eer geen zondaar, wie het ook zij.
23[Semen hominum honorabitur hoc, quod timet Deum: semen autem hoc exhonorabitur, quod præterit mandata Domini.
24Prins, vorst en rechter staan in ere, Maar geen is er groter, dan wie God vreest.
24In medio fratrum rector illorum in honore: et qui timent Dominum erunt in oculis illius.
25Een verstandige slaaf wordt door vrijen gediend, En geen wijze, die er om mort.
25Gloria divitum, honoratorum, et pauperum, timor Dei est.
26Wees niet eigenwijs, dat gij slechts werkt, als het u lust, En poch niet ten tijde van nood;
26Noli despicere hominem justum pauperem, et noli magnificare virum peccatorem divitem.
27Beter wie werkt en van alles genoeg heeft, Dan wie pocht, maar niets heeft te eten.
27Magnus, et judex, et potens est in honore: et non est major illo qui timet Deum.
28Mijn zoon, houd in alle ootmoed uzelf in ere, En bezorg u de achting, zoals het behoort.
28Servo sensato liberi servient: et vir prudens et disciplinatus non murmurabit correptus, et inscius non honorabitur.
29Wie zal hem rechtvaardigen, die zichzelf veroordeelt; Wie hem eren, die zichzelf onteert?.
29Noli extollere te in faciendo opere tuo, et noli cunctari in tempore angustiæ.
30Soms worden armen geëerd om hun wijsheid, Terwijl anderen in ere zijn om hun bezit.
30Melior est qui operatur et abundat in omnibus, quam qui gloriatur et eget pane.
31Werd zo'n arme eens rijk, hoeveel groter zijn eer; Werd zo'n rijke eens arm, hoeveel groter zijn schande!
31Fili, in mansuetudine serva animam tuam, et da illi honorem secundum meritum suum.
no verse 32 in this text
32Peccantem in animam suam quis justificabit? et quis honorificabit exhonorantem animam suam?
no verse 33 in this text
33Pauper gloriatur per disciplinam et timorem suum: et est homo qui honorificatur propter substantiam suam.
no verse 34 in this text
34Qui autem gloriatur in paupertate, quanto magis in substantia ! et qui gloriatur in substantia, paupertatem vereatur.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.