Jezussirach 40
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Grote kommer heeft God beschikt, Een zwaar juk drukt op den mens Van de dag af, dat Hij komt uit de schoot van zijn moeder, Tot de dag, dat hij terugkeert tot de moeder van allen!
1[Occupatio magna creata est omnibus hominibus, et jugum grave super filios Adam, a die exitus de ventre matris eorum usque in diem sepulturæ in matrem omnium.
2Angstige bezorgdheid en hartevrees, Zorg voor de toekomst tot aan de dag van de dood
2Cogitationes eorum, et timores cordis, adinventio exspectationis, et dies finitionis,
3Is het lot van hem, die op een eretroon zetelt, Als van hem, die neerzit in zak en as;
3a residente super sedem gloriosam, usque ad humiliatum in terra et cinere:
4Van hem, die de mijter draagt met gouden band, Als van hem, die gekleed gaat in dierenvellen. Toorn, naijver, zorg en vrees, Angst voor de dood, twist en strijd zijn zijn deel,
4ab eo qui utitur hyacintho et portat coronam, usque ad eum qui operitur lino crudo: furor, zelus, tumultus, fluctuatio, et timor mortis, iracundia perseverans, et contentio:
5Zelfs als hij rust op zijn legerstede, Ontstelt de nachtelijke slaap nog zijn hart;
5et in tempore refectionis in cubili, somnus noctis immutat scientiam ejus.
6Een kort ogenblik slechts heeft hij rust, Dan ziet hij in de droom, als was hij klaar wakker.
6Modicum tamquam nihil in requie, et ab eo in somnis, quasi in die respectus.
7Hij slaat op de vlucht voor de droom van zijn geest, Als een vluchteling, die wegholt voor zijn vervolger; Maar is hij ontkomen, dan schiet hij wakker, En ziet verbaasd, dat hij niets had te vrezen.
7Conturbatus est in visu cordis sui, tamquam qui evaserit in die belli: in tempore salutis suæ exsurrexit, et admirans ad nullum timorem:
8Op alle vlees van mens en dier, Maar op den zondaar zevenvoudig,
8cum omni carne, ab homine usque ad pecus, et super peccatores septuplum.
9Drukt pest en bloed, en koorts en zwaard, Verwoesting, vernieling, honger en dood.
9Ad hæc mors, sanguis, contentio, et rhomphæa, oppressiones, fames, et contritio, et flagella:
10Wel werd om den slechte het zwaard geschapen, En komt de ondergang om zijnentwil;
10super iniquos creata sunt hæc omnia: et propter illos factus est cataclysmus.]
11Maar al wat uit de aarde komt, keert terug naar de aarde, Doch wat van boven komt, naar boven.
11[Omnia quæ de terra sunt in terram convertentur, et omnes aquæ in mare revertentur.
12Ieder onrechtvaardig geschenk gaat te niet, Maar eerlijkheid houdt eeuwig stand.
12Omne munus et iniquitas delebitur, et fides in sæculum stabit.
13Onrechtvaardig goed is als een woeste stroom, Als een machtige vloed bij een onweersbui:
13Substantiæ injustorum sicut fluvius siccabuntur, et sicut tonitruum magnum in pluvia personabunt.
14Ze rukken wel rotsen mee in hun vaart, Maar weldra zijn ze voor altijd voorbij.
14In aperiendo manus suas lætabitur: sic prævaricatores in consummatione tabescent.
15Een goddeloos geslacht zal geen loten doen spruiten; Want de wortel van den boze ligt op puntige rotsen.
15Nepotes impiorum non multiplicabunt ramos: et radices immundæ super cacumen petræ sonant.
16Het riet aan de oever van de stroom, Verdwijnt vóór alle andere planten:
16Super omnem aquam viriditas, et ad oram fluminis ante omne fœnum evelletur.]
17Maar de liefde wijkt in eeuwigheid niet, En rechtvaardigheid houdt eeuwig stand.
17[Gratia sicut paradisus in benedictionibus, et misericordia in sæculum permanet.
18Een leven van wijn en most mag zoet zijn, Maar daarboven gaat het, een schat te vinden;
18Vita sibi sufficientis operarii condulcabitur, et in ea invenies thesaurum.
19Kind en stad houden de naam in stand, Maar daarboven gaat, wie wijsheid vindt. Vee en land verhogen het aanzien, Maar daarboven gaat een wijze vrouw;
19Filii et ædificatio civitatis confirmabit nomen: et super hæc mulier immaculata computabitur.
20Wijn en lied verblijden het hart, Maar daarboven gaat de liefde van vrienden.
20Vinum et musica lætificant cor: et super utraque dilectio sapientiæ.
21Luit en harp veraangenamen het lied, Maar daarboven gaat een zachte tong;
21Tibiæ et psalterium suavem faciunt melodiam: et super utraque lingua suavis.
22Schoonheid en bevalligheid trekken het oog, Maar daarboven gaat het gewas op het veld.
22Gratiam et speciem desiderabit oculus tuus: et super hæc virides sationes.
23Vriend en makker geven op tijd hun raad, Maar daarboven gaat een verstandige vrouw;
23Amicus et sodalis in tempore convenientes, et super utrosque mulier cum viro.
24Broer en helper steunen in tijden van nood, Maar daarboven gaat de hulp van de deugd.
24Fratres in adjutorium in tempore tribulationis: et super eos misericordia liberabit.
25Goud en zilver schragen de voet, Maar daarboven gaat een goede raad;
25Aurum et argentum est constitutio pedum: et super utrumque consilium beneplacitum.
26Rijkdom en weelde verblijden het hart, Maar daarboven gaat de vreze Gods. Bij de vreze Gods is er aan niets gebrek, Naast haar behoeft men geen andere hulp;
26Facultates et virtutes exaltant cor, et super hæc timor Domini.
27De vreze Gods is als een paradijs vol zegen, Een baldakijn, dat alle glorie overtreft.
27Non est in timore Domini minoratio: et non est in eo inquirere adjutorium.
28Mijn zoon, wil niet van aalmoezen leven; Beter dood dan een bedelaar.
28Timor Domini sicut paradisus benedictionis, et super omnem gloriam operuerunt illum.]
29Een man, die naar andermans tafel moet snakken, Diens leven heet geen leven meer. Men bezoedelt zich met gekregen brokken; Een verstandig man krijgt er maagpijn van.
29[Fili, in tempore vitæ tuæ ne indigeas: melius est enim mori quam indigere.
30Een brutale mond smaakt het gebedelde zoet; Maar in zijn binnenste brandt het als vuur.
30Vir respiciens in mensam alienam, non est vita ejus in cogitatione victus: alit enim animam suam cibis alienis:
no verse 31 in this text
31vir autem disciplinatus et eruditus custodiet se.
no verse 32 in this text
32In ore imprudentis condulcabitur inopia, et in ventre ejus ignis ardebit.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.