Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Toen stond Elias op, een profeet als vuur, Met woorden als een gloeiende oven.
1[Et surrexit Elias propheta quasi ignis, et verbum ipsius quasi facula ardebat.
2Hij ontnam hun de laatste bete broods, Roeide door zijn ijver hen bijna uit;
2Qui induxit in illos famem: et irritantes illum invidia sua pauci facti sunt: non enim poterant sustinere præcepta Domini.
3Hij sloot op Gods bevel de hemel, Liet vuur neerdalen tot driemaal toe.
3Verbo Domini continuit cælum, et dejecit de cælo ignem ter.
4Elias, hoe eerbiedwaardig zijt gij; Wie kan zich uws gelijke noemen!
4Sic amplificatus est Elias in mirabilibus suis. Et quis potest similiter sic gloriari tibi?
5Gij, die een dode ten leven hebt opgewekt, Uit de onderwereld naar Jahweh's wil;
5qui sustulisti mortuum ab inferis de sorte mortis, in verbo Domini Dei:
6Die koningen in het verderf hebt gestort, En prinsen van hun legersteden;
6qui dejecisti reges ad pernicem, et confregisti facile potentiam ipsorum, et gloriosos de lecto suo:
7Die op de Sinaï straffen vernaamt, En op de Horeb wraakgerichten;
7qui audis in Sina judicium, et in Horeb judicia defensionis:
8Die koningen gezalfd hebt tot bestraffers, En een profeet tot uw opvolger benoemde:
8qui ungis reges ad pœnitentiam, et prophetas facis successores post te:
9Die werdt opgenomen in een stormwind, En in vurige scharen naar de hemel.
9qui receptus es in turbine ignis, in curru equorum igneorum:
10Die volgens de Schrift gereed staat voor het einde, Om Gods toorn te bedaren, éér hij ontbrandt, Om het hart van de vaders tot hun zonen te keren En Jakobs stammen weer op te richten.
10qui scriptus es in judiciis temporum, lenire iracundiam Domini, conciliare cor patris ad filium, et restituere tribus Jacob.
11Gelukkig wie u zag, voordat hij stierf; Maar gelukkiger nog, wie dan leeft!
11Beati sunt qui te viderunt, et in amicitia tua decorati sunt.
12Toen Elias opvoer in de orkaan, Werd Eliseus van zijn geest vervuld. Hij verrichtte nog eens zoveel tekenen; Wonder was alles, wat zijn mond ontvlood. Zolang hij leefde, vreesde hij niemand; Geen sterveling heerste over zijn geest.
12Nam nos vita vivimus tantum: post mortem autem non erit tale nomen nostrum.]
13Niets was voor hem te wonderbaar, Nog in het graf werkte zijn lijk als profeet;
13[Elias quidem in turbine tectus est, et in Eliseo completus est spiritus ejus: in diebus suis non pertimuit principem, et potentia nemo vicit illum:
14Hij deed tekenen bij zijn leven, En ook na zijn dood nog wrochtte hij wonderen.
14nec superavit illum verbum aliquod, et mortuum prophetavit corpus ejus.
15Maar het volk bekeerde zich niet; Zij lieten niet af van hun zonden, Daarom werden zij tenslotte uit hun land verdreven En over heel de aarde verspreid.
15In vita sua fecit monstra, et in morte mirabilia operatus est.]
16Maar aan Juda bleef nog een rest behouden, Aan het huis van David nog een vorst. Sommigen van hen deden wat recht is; Anderen echter waren vreselijk ontrouw.
16[In omnibus istis non pœnituit populus, et non recesserunt a peccatis suis, usque dum ejecti sunt de terra sua, et dispersi sunt in omnem terram:
17Ezekias versterkte zijn stad, Door er water binnen te leiden; Hij doorboorde de rotsen met ijzer, En versperde de bergen tot een waterbekken.
17et relicta est gens perpauca, et princeps in domo David.
18In die tijd trok Sinacherib op, En zond zijn opperbevelhebber; Hij strekte de hand tegen Sion uit, En lasterde God in zijn hoogmoed.
18Quidam ipsorum fecerunt quod placeret Deo: alii autem multa commiserunt peccata.
19Toen sidderden hun harten om die overmoed, En ze beefden als een barende vrouw;
19Ezechias munivit civitatem suam, et induxit in medium ipsius aquam: et fodit ferro rupem, et ædificavit ad aquam puteum.
20Maar ze riepen tot den allerhoogsten God, En strekten hun hand naar Hem uit. En Hij gaf gehoor aan hun gebed, En redde hen door Isaias' hand;
20In diebus ipsius ascendit Sennacherib, et misit Rabsacen, et sustulit manum suam contra illos: et extulit manum suam in Sion, et superbus factus est potentia sua.
21Hij sloeg het kamp der Assyriërs, En verdelgde hen door de pest.
21Tunc mota sunt corda et manus ipsorum: et doluerunt quasi parturientes mulieres.
22Want Ezekias deed wat God behaagde En stond op Davids wegen vast, Zoals Isaias, de profeet, hem beval, Groot en betrouwbaar in zijn visioenen.
22Et invocaverunt Dominum misericordem, et expandentes manus suas extulerunt ad cælum: et Sanctus, Dominus Deus, audivit cito vocem ipsorum.
23In zijn dagen ging de zon terug, En werd het leven van den koning verlengd.
23Non est commemoratus peccatorum illorum, neque dedit illos inimicis suis: sed purgavit eos in manu Isaiæ sancti prophetæ.
24In verheven geest schouwde hij het einde, En bracht aan Sions bedroefden troost;
24Dejecit castra Assyriorum, et contrivit illos angelus Domini:
25Tot in verre tijden voorspelde hij de toekomst En wat verborgen was, voordat het geschiedde.
25nam fecit Ezechias quod placuit Deo, et fortiter ivit in via David patris sui, quam mandavit illi Isaias, propheta magnus, et fidelis in conspectu Dei.
no verse 26 in this text
26In diebus ipsius retro rediit sol, et addidit regi vitam.
no verse 27 in this text
27Spiritu magno vidit ultima, et consolatus est lugentes in Sion usque in sempiternum.
no verse 28 in this text
28Ostendit futura, et abscondita antequam evenirent.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.