Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Houd den arts te vriend, voordat ge hem nodig hebt; Want ook hij is door God geschapen.
1[Honora medicum propter necessitatem: etenim illum creavit Altissimus.
2Van God heeft de arts zijn kennis, Van den koning zelfs krijgt hij geschenken.
2A Deo est enim omnis medela, et a rege accipiet donationem.
3De geneesheer wordt om zijn kennis geëerd, En staat voor vorsten als hun gelijke.
3Disciplina medici exaltabit caput illius, et in conspectu magnatorum collaudabitur.
4God doet uit de aarde artsenijen ontspruiten; Een verstandig mens veracht ze dus niet.
4Altissimus creavit de terra medicamenta, et vir prudens non abhorrebit illa.
5Werd het water niet zoet door het hout, Opdat iedereen zijn kracht zou kennen?
5Nonne a ligno indulcata est aqua amara?
6Zo gaf Hij ook aan de mensen kennis, Om door haar kracht beroemd te worden.
6Ad agnitionem hominum virtus illorum: et dedit hominibus scientiam Altissimus, honorari in mirabilibus suis.
7Door haar stilt de geneesheer de smart, Bereidt de apotheker balsem;
7In his curans mitigabit dolorem: et unguentarius faciet pigmenta suavitatis, et unctiones conficiet sanitatis: et non consummabuntur opera ejus.
8Opdat Gods werk niet zou verdwijnen, De genezing niet van het aanschijn der aarde.
8Pax enim Dei super faciem terræ.
9Mijn zoon, maak u bij ziekte niet ongerust; Maar bid tot God, want Hij geneest.
9Fili, in tua infirmitate ne despicias teipsum: sed ora Dominum, et ipse curabit te.
10Vlucht de zonde, volbreng het goede, En reinig uw hart van alle kwaad;
10Averte a delicto, et dirige manus, et ab omni delicto munda cor tuum.
11Breng een wierookoffer van zoete geur, En offer vet, zoveel ge kunt.
11Da suavitatem et memoriam similaginis, et impingua oblationem, et da locum medico:
12Doch maak ook plaats voor den arts, Stoot hem niet af, want ge hebt hem nodig;
12etenim illum Dominus creavit, et non discedat a te, quia opera ejus sunt necessaria.
13Ja, er komt een tijd, dat zijn hand alleen nog kan redden.
13Est enim tempus quando in manus illorum incurras:
14Want ook hij bidt tot God, Dat Hij zijn onderzoek doet slagen En de genezing, tot behoud van het leven.
14ipsi vero Dominum deprecabuntur, ut dirigat requiem eorum, et sanitatem, propter conversationem illorum.
15Wie zondigt voor het aanschijn van zijn Schepper, Valt in de handen van den arts.
15Qui delinquit in conspectu ejus qui fecit eum, incidet in manus medici.]
16Mijn zoon, stort tranen over een dode, Rouw en hef een klaagzang aan; Begraaf zijn lijk, zoals het betaamt, En trek u niet terug bij zijn dood.
16[Fili, in mortuum produc lacrimas, et quasi dira passus incipe plorare: et secundum judicium contege corpus illius, et non despicias sepulturam illius.
17Treur, mijn zoon, zing uw klaagzang uit, En rouw over hem, zoals het behoort: Eén dag, twee dagen zelfs ter voorkoming van opspraak, Maar getroost u dan in uw smart.
17Propter delaturam autem amare fer luctum illius uno die, et consolare propter tristitiam:
18Droefheid immers kan slechts schaden, Want treurigheid ondermijnt de kracht.
18et fac luctum secundum meritum ejus uno die, vel duobus, propter detractionem:
19Is de dode begraven, dan wijke de smart; Want het leven van een bedroefde is een vloek.
19a tristitia enim festinat mors, et cooperit virtutem, et tristitia cordis flectit cervicem.
20Laat uw hart zich niet langer aan hem hechten; Denk niet meer aan hem, maar denk aan uw einde.
20In abductione permanet tristitia, et substantia inopis secundum cor ejus.
21Gedenk hem niet meer, want voor hem geen hoop! Hem brengt ge geen nut, en uzelf doet ge schade.
21Ne dederis in tristitia cor tuum, sed repelle eam a te, et memento novissimorum.
22Bedenk, dat zijn lot ook het uwe zal zijn: Gisteren hem en heden u.
22Noli oblivisci, neque enim est conversio: et huic nihil proderis, et teipsum pessimabis.
23Als de dode rust, moet ook zijn aandenken rusten; Als zijn ziel is verscheiden, moet ge u troosten.
23Memor esto judicii mei: sic enim erit et tuum: mihi heri, et tibi hodie.
24De wijsheid van den schriftgeleerde moet steeds groeien; Slechts wie vrij is van zaken, kan kennis verwerven.
24In requie mortui requiescere fac memoriam ejus, et consolare illum in exitu spiritus sui.]
25Hoe zou wijs kunnen worden, wie de ploeg hanteert, En trots de drijversstok zwaait als een lans; Die de koeien uitdrijft en schreeuwend ze terugleidt, En alleen maar kan praten met kalven:
25[Sapientia scribæ in tempore vacuitatis, et qui minoratur actu sapientiam percipiet, qua sapientia replebitur.
26Hij wijdt zijn hart aan het eggen der vorens. Zijn zorg aan het mesten van de stal.
26Qui tenet aratrum, et qui gloriatur in jaculo, stimulo boves agitat, et conversatur in operibus eorum, et enarratio ejus in filiis taurorum.
27Zo ook iedere arbeider en ambachtsman, Die dag en nacht hun werk verrichten,
27Cor suum dabit ad versandos sulcos, et vigilia ejus in sagina vaccarum.
28Zo ook de smid, die bij zijn aambeeld hurkt, En vol aandacht het ruwe ijzer bekijkt; De rook van het vuur verschrompelt zijn vlees, Hij vecht tegen de gloed van de oven; Het slaan van de hamer verdooft hem de oren, Zijn ogen zijn op het model gericht: Hij wijdt zijn hart aan de voltooiing van zijn werk, Zijn zorg aan het polijsten, als het gereed is.
28Sic omnis faber et architectus, qui noctem tamquam diem transigit: qui sculpit signacula sculptilia, et assiduitas ejus variat picturam: cor suum dabit in similitudinem picturæ, et vigilia sua perficiet opus.
29Zo ook de pottenbakker, die bij zijn werk gezeten, Met zijn voeten de draaischijf beweegt; Die steeds bekommerd is om zijn bedrijf, En altijd zwoegt om een groot getal.
29Sic faber ferrarius sedens juxta incudem, et considerans opus ferri: vapor ignis uret carnes ejus, et in calore fornacis concertatur.
30Hij geeft met zijn arm een vorm aan de klei, En kneedt met zijn voeten haar stugheid: Hij wijdt zijn hart aan het beste glazuur, Zijn zorg aan het bakken in de oven.
30Vox mallei innovat aurem ejus, et contra similitudinem vasis oculus ejus.
31Zij allen vertrouwen op hun handen, En ieder is wijs in zijn eigen werk;
31Cor suum dabit in consummationem operum, et vigilia sua ornabit in perfectionem.
32Zonder hen wordt er geen stad gebouwd, En kan men wonen, noch reizen.
32Sic figulus sedens ad opus suum, convertens pedibus suis rotam, qui in sollicitudine positus est semper propter opus suum, et in numero est omnis operatio ejus.
33Maar in de vergadering zijn ze niet in tel, En ze zitten niet op de stoel van den rechter; Want van wet en oordeel hebben ze geen verstand,
33In brachio suo formabit lutum, et ante pedes suos curvabit virtutem suam.
34En wijsheidsspreuken kennen ze niet. Maar enkel wereldse zaken verzorgen, En al hun aandacht besteden aan hun vak. Ze snijden figuren op zegelringen, En weven steeds maar wisselende kleuren: Hij wijdt zijn hart aan de gelijkenis der beelden, Zijn zorg aan het voltooien van zijn werk.
34Cor suum dabit ut consummet linitionem, et vigilia sua mundabit fornacem.
no verse 35 in this text
35Omnes hi in manibus suis speraverunt, et unusquisque in arte sua sapiens est.
no verse 36 in this text
36Sine his omnibus non ædificatur civitas,
no verse 37 in this text
37et non inhabitabunt, nec inambulabunt, et in ecclesiam non transilient.
no verse 38 in this text
38Super sellam judicis non sedebunt, et testamentum judicii non intelligent, neque palam facient disciplinam et judicium, et in parabolis non invenientur:
no verse 39 in this text
39sed creaturam ævi confirmabunt: et deprecatio illorum in operatione artis, accomodantes animam suam, et conquirentes in lege Altissimi.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.