Jezussirach 35
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Wie de Wet onderhoudt, brengt vele offers; Wie de geboden vervult, een vrede-offer.
1[Qui conservat legem multiplicat oblationem.
2Wie de liefde beoefent, draagt een spijsoffer op; Wie een aalmoes geeft, een offer van dank.
2Sacrificium salutare est attendere mandatis, et discedere ab omni iniquitate.
3Een Gode behaaglijk offer is het, de zonde te mijden, En een zoenoffer, zich te onthouden van kwaad.
3Et propitiationem litare sacrificii super injustitias: et deprecatio pro peccatis, recedere ab injustitia.
4Verschijn dus niet met lege handen voor Jahweh; Want dit alles moet geschieden, zoals het is voorgeschreven.
4Retribuet gratiam qui offert similaginem: et qui facit misericordiam offert sacrificium.
5Het offer van den brave is als vet op het altaar, Als een lieflijke geur voor den Allerhoogste;
5Beneplacitum est Domino recedere ab iniquitate: et deprecatio pro peccatis recedere ab injustitia.
6Het offer van een rechtvaardige is welbehaaglijk, En zal voortdurend in herinnering blijven.
6Non apparebis ante conspectum Domini vacuus:
7Breng met gulheid Jahweh uw lof, En verminder de eerstelingen uwer handen niet;
7hæc enim omnia propter mandatum Dei fiunt.
8Zet een vrolijk gezicht bij iedere gave, En offer blijmoedig uw tienden.
8Oblatio justi impinguat altare, et odor suavitatis est in conspectu Altissimi.
9Geef aan God, naar gelang Hij u schonk, Met vreugde en naar uw vermogen;
9Sacrificium justi acceptum est, et memoriam ejus non obliviscetur Dominus.
10Want Hij is een God van vergelding, Die u zevenvoudig teruggeeft.
10Bono animo gloriam redde Deo, et non minuas primitias manuum tuarum.
11Tracht niet, Hem om te kopen, want Hij neemt het niet aan, En vertrouw niet op een offer van onrecht;
11In omni dato hilarem fac vultum tuum, et in exsultatione sanctifica decimas tuas.
12Want Hij is een rechtvaardig God, Hij kent geen aanzien des persoons.
12Da Altissimo secundum datum ejus, et in bono oculo adinventionem facito manuum tuarum,
13Hij is niet partijdig tegen den arme; Neen, Hij luistert naar het geween der verdrukten.
13quoniam Dominus retribuens est, et septies tantum reddet tibi.
14Hij wijst het zuchten der wezen niet af, Noch dat van de weduwe, als zij blijft klagen.
14Noli offerre munera prava, non enim suscipiet illa.
15Lopen de tranen haar niet langs de wangen, En getuigt niet haar zuchten tegen wie ze deed stromen?
15Et noli inspicere sacrificum injustum, quoniam Dominus judex est, et non est apud illum gloria personæ.
16Haar klagen zal genade vinden, En haar smeken dringt door de wolken heen.
16Non accipiet Dominus personam in pauperem, et deprecationem læsi exaudiet.
17Het schreien van den verdrukte dringt door de wolken, En rust niet, voordat het God heeft bereikt;
17Non despiciet preces pupilli, nec viduam, si effundat loquelam gemitus.
18Het wijkt niet, totdat de Allerhoogste er op neerziet, En de rechtvaardige Rechter recht heeft verschaft.
18Nonne lacrimæ viduæ ad maxillam descendunt, et exclamatio ejus super deducentem eas?
19Neen, God zal niet dralen; Als een krijgsheld deinst Hij niet terug,
19A maxilla enim ascendunt usque ad cælum, et Dominus exauditor non delectabitur in illis.
20Tot Hij den verdrukker de lenden heeft verbrijzeld, En op de volkeren zijn wraak heeft gekoeld;
20Qui adorat Deum in oblectatione suscipietur, et deprecatio illius usque ad nubes propinquabit.]
21Tot Hij de staf der trotsen heeft veroverd, En de schepter der bozen gebroken;
21[Oratio humiliantis se nubes penetrabit, et donec propinquet non consolabitur, et non discedet donec Altissimus aspiciat.
22Tot Hij den mens zijn werk heeft vergolden: Het eigenmachtige doen van de mensen;
22Et Dominus non elongabit: et judicabit justos, et faciet judicium: et Fortissimus non habebit in illis patientiam, ut contribulet dorsum ipsorum:
23Tot Hij de zaak van zijn volk heeft beslecht, En het heeft verblijd met zijn heil!
23et gentibus reddet vindictam, donec tollat plenitudinem superborum, et sceptra iniquorum contribulet:
24Lieflijk is zijn ontferming ten tijde van druk, Als een onweersbui ten tijde van droogte.
24donec reddat hominibus secundum actus suos, et secundum opera Adæ, et secundum præsumptionem illius:
no verse 25 in this text
25donec judicet judicium plebis suæ, et oblectabit justos misericordia sua.
no verse 26 in this text
26Speciosa misericordia Dei in tempore tribulationis, quasi nubes pluviæ in tempore siccitatis.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.