Jezussirach 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Mijn zoon, spot niet met het leven van den arme, En laat de ogen van den bedrukte niet versmachten.
1[Fili, eleemosynam pauperis ne defraudes, et oculos tuos ne transvertas a paupere.
2Stel een hongerig mens niet teleur, En verberg u niet voor een gebroken hart.
2Animam esurientem ne despexeris, et non exasperes pauperem in inopia sua.
3Verbitter het gemoed van den arme niet, En wil hem uw gave niet weigeren.
3Cor inopis ne afflixeris, et non protrahas datum angustianti.
4Veracht de bede van den arme niet,
4Rogationem contribulati ne abjicias, et non avertas faciem tuam ab egeno.
5Geef hem geen aanleiding, om u te vloeken;
5Ab inope ne avertas oculos tuos propter iram: et non relinquas quærentibus tibi retro maledicere.
6Want als de bedroefde roept in zijn zielesmart, Dan hoort zijn Schepper naar zijn schreien.
6Maledicentis enim tibi in amaritudine animæ, exaudietur deprecatio illius: exaudiet autem eum qui fecit illum.
7Maak u bemind bij de gemeente, En buig uw hoofd voor de groten der stad;
7Congregationi pauperum affabilem te facito: et presbytero humilia animam tuam, et magnato humilia caput tuum.
8Maar neig ook uw oor tot den arme, En beantwoord vriendelijk zijn groet.
8Declina pauperi sine tristitia aurem tuam, et redde debitum tuum, et responde illi pacifica in mansuetudine.
9Help den bedrukte tegen zijn verdrukkers; Wees niet bang, om rechtvaardig vonnis te vellen.
9Libera eum qui injuriam patitur de manu superbi, et non acide feras in anima tua.
10Wees voor de wezen als een vader, Voor de weduwen als een man; God noemt u dan zijn zoon En redt u in zijn liefde van het verderf.
10In judicando esto pupillis misericors ut pater, et pro viro matri illorum:
11Tweede reeks. De wijsheid en de gevaren, die ons bedreigen. Inleiding. De zegeningen der wijsheid. De wijsheid onderricht haar kinderen, En waarschuwt allen, die haar zoeken.
11et eris tu velut filius Altissimi obediens, et miserebitur tui magis quam mater.]
12Wie haar beminnen, beminnen het leven, En die haar zoeken, vinden welbehagen bij God.
12[Sapientia filiis suis vitam inspirat: et suscipit inquirentes se, et præibit in via justitiæ.
13Wie haar vasthouden, vinden glorie bij Jahweh, En wonen in de zegen van God;
13Et qui illam diligit, diligit vitam, et qui vigilaverint ad illam complectentur placorem ejus.
14Wie haar dienen, dienen den Heilige, Wie haar beminnen, worden door God bemind.
14Qui tenuerint illam, vitam hæreditabunt: et quo introibit benedicet Deus.
15Wie naar mij luistert, oordeelt rechtvaardig, Wie naar mij hoort, zal wonen in mijn huis;
15Qui serviunt ei obsequentes erunt sancto: et eos qui diligunt illam, diligit Deus.
16Wie mij vertrouwt, zal mij beërven, En zijn geslacht zal mij blijven bezitten.
16Qui audit illam judicabit gentes: et qui intuetur illam permanebit confidens.
17Want omzichtig ga ik met hem om, En stel hem in het begin op de proef; Vrees en angst slinger ik op hem neer, En toets hem eerst door beproeving. Maar als zijn hart van mij is vervuld,
17Si crediderit ei, hæreditabit illam, et erunt in confirmatione creaturæ illius:
18Maak ik hem gelukkig, en ontsluier hem mijn geheimen.
18quoniam in tentatione ambulat cum eo, et in primis eligit eum.
19Doch valt hij van mij af, dan verwerp ik hem, En lever hem over aan verdelgers.
19Timorem, et metum, et probationem inducet super illum: et cruciabit illum in tribulatione doctrinæ suæ, donec tentet eum in cogitationibus suis, et credat animæ illius.
20Mijn zoon, benut de tijd en vrees het kwaad; Dan behoeft ge u niet over uzelf te schamen.
20Et firmabit illum, et iter adducet directum ad illum, et lætificabit illum:
21Want er is een schaamte, die tot zonde voert, Maar ook een schaamte, die eer brengt en genade.
21et denudabit absconsa sua illi, et thesaurizabit super illum scientiam et intellectum justitiæ.
22Wees niet toegevend voor uzelf; Dan komt ge niet ten val tot eigen verderf.
22Si autem oberraverit, derelinquet eum, et tradet eum in manus inimici sui.]
23Houd op zijn tijd het woord niet achter, En uw wijsheid niet verborgen;
23[Fili, conserva tempus, et devita a malo.
24Want in het spreken leert men de wijsheid kennen, Het inzicht in het antwoord van de tong.
24Pro anima tua ne confundaris dicere verum:
25Strijd niet tegen de waarheid, Erken met schaamte uw ongelijk.
25est enim confusio adducens peccatum, et est confusio adducens gloriam et gratiam.
26Schaam u niet, terug te keren van het kwaad, En roei niet op tegen de stroom.
26Ne accipias faciem adversus faciem tuam, nec adversus animam tuam mendacium.
27Onderwerp u niet aan een dwaas, Maar verzet u niet tegen de overheid.
27Ne reverearis proximum tuum in casu suo,
28Strijd voor de deugd tot aan de dood, En Jahweh zal strijden voor u.
28nec retineas verbum in tempore salutis. Non abscondas sapientiam tuam in decore suo:
29Wees geen zwetser met de tong, En slap en traag in uw daden;
29in lingua enim sapientia dignoscitur: et sensus, et scientia, et doctrina in verbo sensati, et firmamentum in operibus justitiæ.
30Wees thuis niet als een leeuw, En schuw en bang voor uw knechten.
30Non contradicas verbo veritatis ullo modo, et de mendacio ineruditionis tuæ confundere.
31Uw hand zij niet open om te krijgen, En gesloten, als ze moet geven.
31Non confundaris confiteri peccata tua, et ne subjicias te omni homini pro peccato.
no verse 32 in this text
32Noli resistere contra faciem potentis, nec coneris contra ictum fluvii.
no verse 33 in this text
33Pro justitia agonizare pro anima tua, et usque ad mortem certa pro justitia: et Deus expugnabit pro te inimicos tuos.
no verse 34 in this text
34Noli citatus esse in lingua tua, et inutilis, et remissus in operibus tuis.
no verse 35 in this text
35Noli esse sicut leo in domo tua, evertens domesticos tuos, et opprimens subjectos tibi.
no verse 36 in this text
36Non sit porrecta manus tua ad accipiendum, et ad dandum collecta.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.