Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Jahweh, Vader en Heer van mijn leven, Laat niet toe, dat ik door hen bezwijk.
1[Domine, pater et dominator vitæ meæ, ne derelinquas me in consilio eorum, nec sinas me cadere in illis.
2Wie stelt er een tuchtroede bij mijn verstand, En een wijze regel over mijn hart, Opdat ze mijn fouten niet sparen, En mijn zonden niet verdragen.
2Quis superponet in cogitatu meo flagella, et in corde meo doctrinam sapientiæ, ut ignorationibus eorum non parcant mihi, et non appareant delicta eorum,
3Anders zouden mijn misslagen zich verdubbelen, En mijn zonden nog talrijker worden; Zou ik bezwijken voor mijn belagers, En mijn vijand zich over mij verheugen.
3et ne adincrescant ignorantiæ meæ, et multiplicentur delicta mea, et peccata mea abundent, et incidam in conspectu adversariorum meorum, et gaudeat super me inimicus meus?
4Jahweh, Vader en God van mijn leven, Laat mij toch niet aan hun willekeur over;
4Domine, pater et Deus vitæ meæ, ne derelinquas me in cogitatu illorum.
5Laat de hovaardij mijner ogen niet toe, En houd de begeerlijkheid verre van mij;
5Extollentiam oculorum meorum ne dederis mihi, et omne desiderium averte a me.
6Laat gulzigheid en ontucht mij niet beheersen, En lever mij niet over aan schandelijke hartstocht.
6Aufer a me ventris concupiscentias, et concubitus concupiscentiæ ne apprehendant me, et animæ irreverenti et infrunitæ ne tradas me.]
7Luistert, kinderen, naar de regels over het spreken; Want wie ze in acht neemt, wordt er niet door gevangen.
7[Doctrinam oris audite, filii: et qui custodierit illam non periet labiis, nec scandalizabitur in operibus nequissimis.
8De zondaar laat zich door zijn lippen verstrikken, De lasteraar en trotse komen er door ten val.
8In vanitate sua apprehenditur peccator: et superbus et maledicus scandalizabitur in illis.
9Gewen uw mond niet aan het zweren; Heb geen gewoonte de heilige Naam te gebruiken.
9Jurationi non assuescat os tuum: multi enim casus in illa.
10Want zoals een slaaf, die steeds ondervraagd wordt, Niet vrij kan blijven van striemen, Zo zal ook wie zweert en altijd Gods naam noemt, Niet vrij kunnen blijven van zonde.
10Nominatio vero Dei non sit assidua in ore tuo, et nominibus sanctorum non admiscearis, quoniam non erit immunis ab eis.
11Een man, die veel zweert, is vol zonde; De roede zal niet wijken van zijn huis. Doet hij het lichtvaardig, dan is het al zonde, En houdt hij die eed niet, het is een dubbele zonde; En zweert hij vals, hij blijft niet ongestraft, Want zijn huis zal zich vullen met rampen.
11Sicut enim servus interrogatus assidue a livore non minuitur, sic omnis jurans et nominans in toto a peccato non purgabitur.
12Er is nog een spreken, dat gelijk staat met de dood; Mocht het in het erfdeel van Jakob niet worden gevonden! Want van rechtvaardigen blijft dit alles verre; Die wentelen zich niet in de zonde.
12Vir multum jurans implebitur iniquitate, et non discedet a domo illius plaga.
13Gewen uw mond niet aan zedeloos vuil; Want in dergelijke taal ligt zonde.
13Et si frustraverit, delictum illius super ipsum erit: et si dissimulaverit, delinquit dupliciter:
14Denk aan uw vader en uw moeder, Wanneer ge te midden van groten zit, Opdat ge u niet bij hen vergete, En door uw gewoonte u slecht gedraagt. Dan zoudt ge wensen, niet te zijn geboren, En zoudt ge de dag van uw geboorte vervloeken;
14et si in vacuum juraverit, non justificabitur: replebitur enim retributione domus illius.
15Want een man, die aan liederlijke taal is gewend, Leert het nooit van zijn leven meer af.
15Est et alia loquela contraria morti: non inveniatur in hæreditate Jacob.
16wee klassen stapelen zonden op, En de derde haalt zich de Toorn op de hals;
16Etenim a misericordibus omnia hæc auferentur, et in delictis non volutabuntur.
17Een geile ziel is als een brandend vuur, Dat niet wordt geblust, eer het verslonden heeft. Een mens, die onreinheid begaat met zichzelf, Houdt niet op, vóór het vuur is gedoofd. Een ontuchtig mens smaakt alle brood goed; Hij heeft er nooit genoeg van tot aan zijn dood.
17Indisciplinatæ loquelæ non assuescat os tuum: est enim in illa verbum peccati.
18Een mens, die de trouw van de echt overtreedt, Denkt bij zichzelf: Wie ziet mij? Duisternis omringt mij, de muren houden mij schuil; Geen mens, die mij ziet; wat heb ik te vrezen? De Allerhoogste gedenkt mijn zonden niet.
18Memento patris et matris tuæ: in medio enim magnatorum consistis:
19Hij is enkel bevreesd voor de ogen der mensen! Hij denkt er niet aan, dat de ogen des Heren Tienduizendmaal helderder zijn dan de zon; Dat zij alle wegen der mensen overschouwen, En de meest verborgen hoeken doorzien.
19ne forte obliviscatur te Deus in conspectu illorum, et assiduitate tua infatuatus, improperium patiaris, et maluisses non nasci, et diem nativitatis tuæ maledicas.
20Vóór het bestaat is Hem alles bekend, En zeker, nadat het volbracht is.
20Homo assuetus in verbis improperii in omnibus diebus suis non erudietur.]
21Zo een wordt bestraft op de pleinen der stad, En gegrepen, waar hij het niet had verwacht; Voor iedereen wordt hij tot spot, Omdat hij de vreze des Heren niet kent.
21[Duo genera abundant in peccatis, et tertium adducit iram et perditionem.
22Zo ook de vrouw, die haar man heeft verlaten, En een erfgenaam van een ander onderschuift!
22Anima calida quasi ignis ardens, non extinguetur donec aliquid glutiat:
23Want vooreerst heeft zij de Wet van den Allerhoogste overtreden, Ten tweede misdreven tegen haar man; Ten derde heeft zij in ontucht echtbreuk gepleegd, En kinderen onderschoven uit een anderen man.
23et homo nequam in ore carnis suæ non desinet donec incendat ignem.
24Zij zal voor de gemeente worden gebracht, En naar haar kinderen zal men onderzoek doen.
24Homini fornicario omnis panis dulcis: non fatigabitur transgrediens usque ad finem.
25Haar kinderen zullen geen wortel schieten, En haar takken dragen geen vrucht;
25Omnis homo qui transgreditur lectum suum, contemnens in animam suam, et dicens: Quis me videt?
26Haar nagedachtenis zal een vervloeking blijven, Haar schande niet worden uitgewist.
26Tenebræ circumdant me, et parietes cooperiunt me, et nemo circumspicit me: quem vereor? delictorum meorum non memorabitur Altissimus.
27Zo zullen al haar landgenoten erkennen, En die achterblijven het inzien: Dat er niets beter is dan de vreze des Heren, Niets zoeter dan Jahweh's gebod te volbrengen.
27Et non intelligit quoniam omnia videt oculus illius, quoniam expellit a se timorem Dei hujusmodi hominis timor, et oculi hominum timentes illum:
no verse 28 in this text
28et non cognovit quoniam oculi Domini multo plus lucidiores sunt super solem, circumspicientes omnes vias hominum, et profundum abyssi, et hominum corda, intuentes in absconditas partes.
no verse 29 in this text
29Domino enim Deo antequam crearentur omnia sunt agnita: sic et post perfectum respicit omnia.
no verse 30 in this text
30Hic in plateis civitatis vindicabitur, et quasi pullus equinus fugabitur, et ubi non speravit apprehendetur.
no verse 31 in this text
31Et erit dedecus omnibus, eo quod non intellexerit timorem Domini.
no verse 32 in this text
32Sic et mulier omnis relinquens virum suum, et statuens hæreditatem ex alieno matrimonio:
no verse 33 in this text
33primo enim in lege Altissimi incredibilis fuit: secundo in virum suum deliquit: tertio in adulterio fornicata est, et ex alio viro filios statuit sibi.
no verse 34 in this text
34Hæc in ecclesiam adducetur, et in filios ejus respicietur:
no verse 35 in this text
35non tradent filii ejus radices, et rami ejus non dabunt fructum:
no verse 36 in this text
36derelinquet in maledictum memoriam ejus, et dedecus illius non delebitur.
no verse 37 in this text
37Et agnoscent qui derelicti sunt, quoniam nihil melius est quam timor Dei, et nihil dulcius quam respicere in mandatis Domini.
no verse 38 in this text
38Gloria magna est sequi Dominum: longitudo enim dierum assumetur ab eo.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.