Jezussirach 46
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Josuë, de zoon van Noen, was een machtig held, Moses' dienaar in het profetenambt; Die geschapen was, zoals zijn naam verluidt, Om een grote redding te zijn voor zijn uitverkorenen. Om wraak te nemen op den vijand, En Israël in het bezit van zijn erfdeel te stellen.
1[Fortis in bello Jesus Nave, successor Moysi in prophetis, qui fuit magnus secundum nomen suum,
2Wat was hij groot, toen hij zijn hand verhief, En zijn lans zwaaide tegen de stad!
2maximus in salutem electorum Dei, expugnare insurgentes hostes, ut consequeretur hæreditatem Israël.
3Wie had er voor hem stand kunnen houden, Daar hij de krijg van Jahweh streed?
3Quam gloriam adeptus est in tollendo manus suas, et jactando contra civitates rhomphæas !
4Stond de zon niet stil op zijn bevel; Werd niet één dag toen als twee?
4Quis ante illum sic restitit? nam hostes ipse Dominus perduxit.
5Hij riep den Allerhoogste aan, Toen de vijanden hem rondom belaagden; En de allerhoogste God verhoorde hem, Met hagelstenen van geweldige kracht.
5An non in iracundia ejus impeditus est sol, et una dies facta est quasi duo?
6Hij slingerde ze neer op het vijandige volk, En verdelgde Kanaän op de helling der bergen, Opdat alle volkeren onder de ban zouden weten, Dat Jahweh neerzag op hun krijg.
6Invocavit Altissimum potentem, in oppugnando inimicos undique: et audivit illum magnus et sanctus Deus, in saxis grandinis virtutis valde fortis.
7Maar ook, omdat hij God had gehoorzaamd, En in de dagen van Moses Hem trouw was gebleven: Hij en Kaleb, de zoon van Jefoenne: Door stand te houden, toen het volk afviel, Door de toorn af te wenden van de gemeente, En het boze morren tot bedaren te brengen,
7Impetum fecit contra gentem hostilem, et in descensu perdidit contrarios:
8Daarom werden zij beiden alleen uitgezonderd Van de zesmaal honderdduizend zwervers, En binnengevoerd in hun erfdeel, In het land, dat druipt van melk en honing.
8ut cognoscant gentes potentiam ejus, quia contra Deum pugnare non est facile. Et secutus est a tergo potentis:
9Aan Kaleb verleende hij bovendien kracht, Die hem bijbleef in zijn ouderdom. Hij voerde hem op naar de hoge streken, Waar zijn kroost zich een erfdeel verwierf;
9et in diebus Moysi misericordiam fecit, ipse, et Caleb filius Jephone, stare contra hostem, et prohibere gentem a peccatis, et perfringere murmur malitiæ.
10Opdat heel het geslacht van Jakob zou weten, Dat het goed is, Jahweh trouw te volgen!
10Et ipsi duo constituti a periculo liberati sunt a numero sexcentorum millium peditum, inducere illos in hæreditatem, in terram quæ manat lac et mel.
11Ook de Rechters, ieder bij name, Allen, die onbedorven waren van hart En God niet ontrouw werden: Hun gedachtenis blijve in zegening,
11Et dedit Dominus ipsi Caleb fortitudinem, et usque in senectutem permansit illi virtus, ut ascenderet in excelsum terræ locum, et semen ipsius obtinuit hæreditatem,
12Hun gebeente schiete nieuwe loten, En hun naam leve voort in hun zonen!
12ut viderent omnes filii Israël quia bonum est obsequi sancto Deo.]
13Geëerd bij zijn volk, door zijn Schepper bemind, Was hij, wiens geboorte werd afgebeden: Aan Jahweh gewijd in het profetenambt, Samuël, de Rechter en Priester. Op Gods bevel stelde hij het koningschap in, En zalfde vorsten over het volk.
13[Et judices singuli suo nomine, quorum non est corruptum cor, qui non aversi sunt a Domino,
14Hij gaf bevelen aan het vergaderde volk, En trok de tenten van Jakob rond;
14ut sit memoria illorum in benedictione, et ossa eorum pullulent de loco suo:
15Om zijn onkreukbaarheid was hij gezocht als profeet, Om zijn woord werd hij als ziener vertrouwd.
15et nomen eorum permaneat in æternum, permanens ad filios illorum, sanctorum virorum gloria.]
16Hij riep tot Jahweh, toen de vijand rondom hem belaagde, En offerde een vlekkeloos lam.
16[Dilectus a Domino Deo suo Samuel, propheta Domini, renovavit imperium, et unxit principes in gente sua.
17En Jahweh deed uit de hemel zijn donder weergalmen, Men hoorde zijn stem in machtig gedreun;
17In lege Domini congregationem judicavit, et vidit Deus Jacob: et in fide sua probatus est propheta,
18Hij sloeg de aanvoerders van den vijand te pletter, En bracht al de vorsten der Filistijnen ten onder
18et cognitus est in verbis suis fidelis, quia vidit Deum lucis.
19En toen de tijd was gekomen van zijn ontslapen, Riep hij Jahweh en zijn gezalfde tot zijn getuige: “Van wien heb ik geschenken, een schoen slechts genomen?” En niemand was er, die er antwoord op gaf.
19Et invocavit Dominum omnipotentem, in oppugnando hostes circumstantes undique, in oblatione agni inviolati.
20Zelfs na zijn dood werd hij nog ondervraagd En voorspelde den koning zijn lot; Hij verhief uit de aarde zijn profetische stem, Om een einde te maken aan het kwaad van het volk.
20Et intonuit de cælo Dominus, et in sonitu magno auditam fecit vocem suam:
no verse 21 in this text
21et contrivit principes Tyriorum, et omnes duces Philisthiim:
no verse 22 in this text
22et ante tempus finis vitæ suæ et sæculi, testimonium præbuit in conspectu Domini et christi: pecunias et usque ad calceamenta ab omni carne non accepit, et non accusavit illum homo.
no verse 23 in this text
23Et post hoc dormivit: et notum fecit regi, et ostendit illi finem vitæ suæ: et exaltavit vocem suam de terra in prophetia, delere impietatem gentis.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.