Jezussirach 27
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Om geld hebben velen gezondigd, Want wie rijk wil worden, doet een oogje toe.
1[Propter inopiam multi deliquerunt: et qui quærit locupletari avertit oculum suum.
2Zoals men een pin slaat tussen de voegen der stenen, Zo wringt de zonde zich vast tussen koop en verkoop.
2Sicut in medio compaginis lapidum palus figitur, sic et inter medium venditionis et emptionis angustiabitur peccatum:
3Houdt iemand zich niet nauwgezet aan de vreze des Heren, Dan gaat zijn huis weldra te gronde.
3conteretur cum delinquente delictum.
4Schudt men de zeef, dan blijft het kaf; Zo 's mensen fouten, als men hem nader beschouwt.
4Si non in timore Domini tenueris te instanter, cito subvertetur domus tua.]
5Het werk van den pottenbakker wordt beproefd in de oven; Zo beproeft men een mens door een gesprek.
5[Sicut in percussura cribri remanebit pulvis, sic aporia hominis in cogitatu illius.
6Aan de vrucht erkent men, hoe een boom is gekweekt, Het hart van den mens aan wat hij zegt.
6Vasa figuli probat fornax, et homines justos tentatio tribulationis.
7Prijs daarom niemand, vóór ge hem hoort spreken; Want dat is de toetssteen voor den mens.
7Sicut rusticatio de ligno ostendit fructum illius, sic verbum ex cogitatu cordis hominis.
8Jaagt ge de gerechtigheid na, ge zult haar bereiken, En ge trekt haar aan als een erekleed.
8Ante sermonem non laudes virum: hæc enim tentatio est hominum.
9Zoals de vogels zich neerzetten bij hun soort, Zo blijft de trouw bij die haar beoefenen;
9Si sequaris justitiam, apprehendes illam, et indues quasi poderem honoris: et inhabitabis cum ea, et proteget te in sempiternum, et in die agnitionis invenies firmamentum.
10Maar zoals de leeuw loert op buit, Zo loert de zonde op wie onrecht doet.
10Volatilia ad sibi similia conveniunt: et veritas ad eos qui operantur illam revertetur.
11Het spreken van den rechtvaardige is altijd wijs, Maar de dwaas is veranderlijk als de maan.
11Leo venationi insidiatur semper: sic peccata operantibus iniquitates.
12Zijt ge bij dwazen, let op uw tijd; Maar in de kring van verstandigen kunt ge altijd vertoeven.
12Homo sanctus in sapientia manet sicut sol: nam stultus sicut luna mutatur.
13De gesprekken van dwazen geven maar aanstoot, Hun lachen gaat met zondige uitspatting gepaard.
13In medio insensatorum serva verbum tempori: in medio autem cogitantium assiduus esto.
14Wie onophoudelijk zweren, doen de haren te berge rijzen, En hun kijven maakt iemand de oren doof.
14Narratio peccantium odiosa, et risus illorum in deliciis peccati.
15De twist van gelijkhebbers loopt uit op bloedvergieten, En hun kijven is niet aan te horen.
15Loquela multum jurans horripilationem capiti statuet, et irreverentia ipsius obturatio aurium.
16Wie geheimen verraadt, verliest het vertrouwen, En vindt geen vriend meer naar zijn hart,
16Effusio sanguinis in rixa superborum, et maledictio illorum auditus gravis.
17Heb uw vriend lief en blijf hem trouw, Maar loop hem niet meer na, als ge zijn geheim hebt verklapt.
17Qui denudat arcana amici fidem perdit, et non inveniet amicum ad animum suum.
18Want zoals iemand zijn vermogen verliest, Zo hebt ge de vriendschap van uw vriend verbeurd;
18Dilige proximum, et conjungere fide cum illo.
19En zoals ge een vogel uit uw hand laat vliegen, Hebt ge uw vriend laten gaan, en ge krijgt hem niet terug.
19Quod si denudaveris absconsa illius, non persequeris post eum.
20Loop hem niet na, want hij is reeds ver; Hij is gevlucht als een ree uit de strik.
20Sicut enim homo qui perdit amicum suum, sic et qui perdit amicitiam proximi sui.
21Een wonde kan men verbinden, een belediging vergeven, Maar wie geheimen verklapt, heeft niets meer te hopen.
21Et sicut qui dimittit avem de manu sua, sic dereliquisti proximum tuum, et non eum capies.
22Wie knipoogjes geeft, broedt op kwaad, En wie het bemerkt, trekt zich van hem terug.
22Non illum sequaris, quoniam longe abest: effugit enim quasi caprea de laqueo, quoniam vulnerata est anima ejus:
23In uw bijzijn spreekt hij mooie woorden, En staat verrukt over wat ge zegt. Maar later spreekt hij andere taal, En verwekt aanstoot met uw woorden.
23ultra eum non poteris colligare. Et maledicti est concordatio:
24Veel dingen haat ik, maar niets zo zeer als hem; Ook voor Jahweh is hij een afschuw.
24denudare autem amici mysteria, desperatio est animæ infelicis.]
25Wie een steen omhoog werpt, krijgt hem zelf op het hoofd; Een verraderlijke slag slaat diepe wonden.
25[Annuens oculo fabricat iniqua, et nemo eum abjiciet.
26Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie strikken zet, wordt er zelf in gevangen.
26In conspectu oculorum tuorum condulcabit os suum, et super sermones tuos admirabitur: novissime autem pervertet os suum, et in verbis tuis dabit scandalum.
27Wie kwaad beraamt, wordt er zelf door getroffen, Zonder dat hij weet, vanwaar het komt.
27Multa odivi, et non coæquavi ei, et Dominus odiet illum.
28Spot en hoon zijn het lot van de trotsen, Want de wraak loert op hem als een leeuw.
28Qui in altum mittit lapidem, super caput ejus cadet: et plaga dolosa dolosi dividet vulnera.
29Wie blij zijn met het ongeluk van gerechten, lopen zelf in de val, En smart verteert hen vóór hun dood.
29Et qui foveam fodit incidet in eam: et qui statuit lapidem proximo offendet in eo: et qui laqueum alii ponit, peribit in illo.
30Wrok en toorn, ook die zijn afschuwelijk; Alleen een zondig mens loopt er mee rond.
30Facienti nequissimum consilium, super ipsum devolvetur, et non agnoscet unde adveniat illi.
no verse 31 in this text
31Illusio et improperium superborum, et vindicta sicut leo insidiabitur illi.
no verse 32 in this text
32Laqueo peribunt qui oblectantur casu justorum, dolor autem consumet illos antequam moriantur.]
no verse 33 in this text
33[Ira et furor utraque execrabilia sunt, et vir peccator continens erit illorum.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.