Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Soms is een terechtwijzing wel wat ontijdig; Zwijgen kan soms verstandig zijn.
1[Quam bonum est arguere, quam irasci, et confitentem in oratione non prohibere !
2Toch is het beter, te berispen dan te razen; Want wie bekent, wordt voor slechter bewaard.
2Concupiscentia spadonis devirginabit juvenculam:
no verse 3 in this text
3sic qui facit per vim judicium iniquum.
4Als een ontmande, die in hartstocht een jonkvrouw onteert: Zo is hij, die een berisping geeft met geweld.
4Quam bonum est correptum manifestare pœnitentiam ! sic enim effugies voluntarium peccatum.
5Er zijn er, die hun wijsheid tonen door zwijgen, Zoals anderen zich gehaat maken door hun gepraat.
5Est tacens qui invenitur sapiens: et est odibilis qui procax est ad loquendum.
6Er zijn er, die zwijgen, bij gebrek aan een antwoord, Maar anderen zwijgen, en wachten hun tijd.
6Est tacens non habens sensum loquelæ: et est tacens sciens tempus aptum.
7De wijze zwijgt, tot zijn tijd is gekomen, Maar de zwetser en dwaze let op geen tijd.
7Homo sapiens tacebit usque ad tempus: lascivus autem et imprudens non servabunt tempus.
8Aan een praatvaar heeft men een hekel, En wie zich veel aanmatigt, wordt gehaat.
8Qui multis utitur verbis lædet animam suam: et qui potestatem sibi sumit injuste, odietur.
9Een schijnbaar succes strekt den mens soms tot onheil, En een gewin wordt soms een verlies.
9Est processio in malis viro indisciplinato, et est inventio in detrimentum.
10Soms brengt een geschenk u geen voordeel, En soms wordt het dubbel vergolden.
10Est datum quod non est utile, et est datum cujus retributio duplex.
11Soms vindt men vernedering in plaats van glorie, En anderen heffen na de vernedering het hoofd omhoog.
11Est propter gloriam minoratio, et est qui ab humilitate levabit caput.
12De een koopt veel voor weinig geld, Een ander betaalt het zevenvoudig.
12Est qui multa redimat modico pretio, et restituens ea in septuplum.
13De wijze maakt zich bemind met spreken, Het vleien der dwazen is tevergeefs.
13Sapiens in verbis seipsum amabilem facit: gratiæ autem fatuorum effundentur.
14Het geschenk van een dwaas zal u niet baten, Want in plaats van één heeft hij vele ogen;
14Datus insipientis non erit utilis tibi: oculi enim illius septemplices sunt.
15Hij geeft slechts weinig, maar doet veel verwijten, En zet zijn mond als een omroeper open. Vandaag zal hij lenen, morgen eist hij het terug; Hoe hatelijk is zo'n mens!
15Exigua dabit, et multa improperabit: et apertio oris illius inflammatio est.
16De dwaas moet zeggen: Ik heb geen vriend; Ik ontvang geen dank voor mijn gaven.
16Hodie fœneratur quis, et cras expetit: odibilis est homo hujusmodi.
17Die zijn brood eten, hebben een valse tong; Wat lachen zij hem dikwijls uit! Want zonder takt deelt hij uit, wat hij moest behouden, Met wat hij niet hoeft te behouden.
17Fatuo non erit amicus, et non erit gratia bonis illius:
18Liever een gladde vloer dan een gladde tong; Daardoor komt de boze spoedig ten val.
18qui enim edunt panem illius, falsæ linguæ sunt. Quoties et quanti irridebunt eum !
19Een ontijdig woord is als een onaangenaam mens; Een onbeschaafd man heeft het steeds in de mond.
19neque enim quod habendum erat directo sensu distribuit; similiter et quod non erat habendum.
20Een spreuk uit de mond van een dwaas heeft geen waarde; Want hij zegt ze niet op de rechte tijd.
20Lapsus falsæ linguæ quasi qui in pavimento cadens: sic casus malorum festinanter veniet.
21Soms wordt men door armoe belet om te zondigen; Men heeft dan ook geen last van de wroeging.
21Homo acharis quasi fabula vana, in ore indisciplinatorum assidua erit.
22Maar velen storten zich in het verderf door schaamte, En gaan te gronde om wille van een dwaas;
22Ex ore fatui reprobabitur parabola: non enim dicit illam in tempore suo.]
23Zij doen aan een vriend beloften uit menselijk opzicht, En maken hem zo tot vijand om niet.
23[Est qui vetatur peccare præ inopia, et in requie sua stimulabitur.
24De leugen is een lelijke vlek op den mens; Toch vindt men ze dikwijls in de mond van onbeheersten.
24Est qui perdet animam suam præ confusione, et ab imprudenti persona perdet eam: personæ autem acceptione perdet se.
25Beter een dief, dan wie altijd liegt; Maar beiden oogsten verderf.
25Est qui præ confusione promittit amico, et lucratus est eum inimicum gratis.
26Het gedrag van een leugenaar is eerloos, En zijn schande kleeft hem altijd aan.
26Opprobrium nequam in homine mendacium: et in ore indisciplinatorum assidue erit.
27Wie wijs is in het spreken, brengt zichzelf vooruit; Want een verstandig mens behaagt aan de groten.
27Potior fur quam assiduitas viri mendacis: perditionem autem ambo hæreditabunt.
28Wie het land bewerkt, maakt hoge schelven, Maar wie gerechtigheid oefent, wordt zelf verheven.
28Mores hominum mendacium sine honore, et confusio illorum cum ipsis sine intermissione.
29Giften en geschenken verblinden het oog van den wijze, En houden als een muilkorf de berisping terug in zijn mond.
29Sapiens in verbis producet seipsum, et homo prudens placebit magnatis.
30Verborgen wijsheid en een verstopte schat: Wat voor nut hebben beide?
30Qui operatur terram suam inaltabit acervum frugum, et qui operatur justitiam, ipse exaltabitur: qui vero placet magnatis effugiet iniquitatem.
31Beter een mens, die zijn dwaasheid verbergt, Dan een, die zijn wijsheid verstopt.
31Xenia et dona excæcant oculos judicum, et quasi mutus, in ore avertit correptiones eorum.
no verse 32 in this text
32Sapientia absconsa, et thesaurus invisus, quæ utilitas in utrisque?
no verse 33 in this text
33Melior est qui celat insipientiam suam, quam homo qui abscondit sapientiam suam.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.