Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Wie barmhartig is, leent zijn naaste; En wie hem steunt, onderhoudt de geboden.
1[Qui facit misericordiam fœneratur proximo suo: et qui prævalet manu mandata servat.
2Leen den naaste, als hij in nood is; Maar van uw kant, geef het den naaste op tijd ook terug.
2Fœnerare proximo tuo in tempore necessitatis illius: et iterum redde proximo in tempore suo.
3Houd uw woord, en behandel hem eerlijk; En steeds zult ge krijgen, wat ge nodig hebt.
3Confirma verbum, et fideliter age cum illo: et in omni tempore invenies quod tibi necessarium est.
4Velen beschouwen het geleende als een vondst; Zo brengen ze hun helpers in last.
4Multi quasi inventionem æstimaverunt fœnus, et præstiterunt molestiam his qui se adjuverunt.
5Men kust iemands hand, totdat men ontvangt, En wegens zijn geld spreekt men heel bescheiden; Maar als men moet teruggeven, stelt men uit, Betaalt met klachten en geeft de schuld aan de tijd.
5Donec accipiant, osculantur manus dantis, et in promissionibus humiliant vocem suam:
6Kan men betalen, men geeft nauwelijks de helft, En beschouwt dat nog als een vondst; Kan men het niet, dan berooft men hem van zijn geld, En wordt hem vijandig zonder enige grond. Met vloeken en schelden betaalt men hem terug, Met schimpen inplaats van te eren;
6et in tempore redditionis postulabit tempus, et loquetur verba tædii et murmurationum, et tempus causabitur.
7Juist om die boosheid keren velen zich af: Zij duchten, zo maar te worden beroofd.
7Si autem potuerit reddere, adversabitur: solidi vix reddet dimidium, et computabit illud quasi inventionem:
8Toch moet ge grootmoedig zijn jegens den arme, En hem niet laten wachten op hulp.
8sin autem, fraudabit illum pecunia sua, et possidebit illum inimicum gratis:
9Ontferm u over den naaste, want het is u geboden; Zend hem niet ledig weg in zijn nood.
9et convitia et maledicta reddet illi, et pro honore et beneficio reddet illi contumeliam.
10Besteed liever uw geld voor een broer of een vriend, Dan het onder een steen te verstoppen en te verliezen.
10Multi non causa nequitiæ non fœnerati sunt, sed fraudari gratis timuerunt.
11Beleg uw schat, zoals de Allerhoogste het beveelt, En hij zal u meer baten dan goud.
11Verumtamen super humilem animo fortior esto, et pro eleemosyna non trahas illum.
12Sluit werken van naastenliefde in uw schatkamers op, Want ze zullen u bevrijden van alle kwaad;
12Propter mandatum assume pauperem, et propter inopiam ejus ne dimittas eum vacuum.
13Beter dan een machtig schild en een sterke lans Zullen ze voor u strijden tegen den vijand.
13Perde pecuniam propter fratrem et amicum tuum, et non abscondas illam sub lapide in perditionem.
14Een goed mens blijft borg voor zijn naaste; Slechts wie geen schaamte kent, laat hem in de steek.
14Pone thesaurum tuum in præceptis Altissimi, et proderit tibi magis quam aurum.
15Vergeet niet de weldaad van uw borg; Want hij zette zichzelf voor u op het spel.
15Conclude eleemosynam in corde pauperis, et hæc pro te exorabit ab omni malo.
16De zondaar vergeet de goedheid van zijn borg; Ondankbaar laat hij zijn redder in de steek.
16Super scutum potentis
17Het borgen heeft vele welgestelden te gronde gericht, Ze heen en weer geslingerd als de golven der zee;
17et super lanceam
18Het heeft mannen van aanzien uit hun bezit verdreven, En ze tot zwervers gemaakt onder vreemde volken.
18adversus inimicum tuum pugnabit.]
19De zondaar komt door borgstelling ten val, En wie zich met alles bemoeit, vervalt in processen.
19[Vir bonus fidem facit pro proximo suo: et qui perdiderit confusionem derelinquet sibi.
20Help dus den naaste naar uw vermogen; Maar let op uzelf, dat ge er niet inloopt.
20Gratiam fidejussoris ne obliviscaris: dedit enim pro te animam suam.
21De eerste behoefte van het leven is water en brood, En kleding en woning tot bedekking der schaamte.
21Repromissorem fugit peccator et immundus.
22Beter arm te leven onder de schutse van zijn dak, Dan heerlijke spijzen bij vreemden.
22Bona repromissoris sibi ascribit peccator: et ingratus sensu derelinquet liberantem se.
23Met weinig of veel, blijf tevreden; Dan verwijt men u niet, dat ge vreemdeling zijt.
23Vir repromittit de proximo suo: et cum perdiderit reverentiam, derelinquetur ab eo.
24Een ellendig leven: van huis tot huis; Want waar ge gast zijt, kunt ge niet vrijuit spreken.
24Repromissio nequissima multos perdidit dirigentes, et commovit illos quasi fluctus maris.
25Ge geeft te eten en te drinken in ondank, En daarbij moet ge nog beledigingen horen:
25Viros potentes gyrans migrare fecit, et vagati sunt in gentibus alienis.
26“Kom binnen, vreemdeling; bereid de dis, Hebt ge iets meegebracht, geef mij te eten.”
26Peccator transgrediens mandatum Domini incidet in promissionem nequam: et qui conatur multa agere incidet in judicium.
27“Ga heen, vreemdeling, ik kan u niet hebben; Mijn broeder komt bij me; ik heb de ontvangkamer nodig.”
27Recupera proximum secundum virtutem tuam, et attende tibi ne incidas.]
28Hard zijn die dingen voor een man met verstand: Men verwijt u uw afkomst en scheldt u woekeraar.
28[Initium vitæ hominis, aqua et panis, et vestimentum, et domus protegens turpitudinem.
no verse 29 in this text
29Melior est victus pauperis sub tegmine asserum quam epulæ splendidæ in peregre sine domicilio.
no verse 30 in this text
30Minimum pro magno placeat tibi, et improperium peregrinationis non audies.
no verse 31 in this text
31Vita nequam hospitandi de domo in domum: et ubi hospitabitur non fiducialiter aget, nec aperiet os.
no verse 32 in this text
32Hospitabitur, et pascet, et potabit ingratos, et ad hæc amara audiet:
no verse 33 in this text
33transi, hospes, et orna mensam, et quæ in manu habes ciba ceteros.
no verse 34 in this text
34Exi a facie honoris amicorum meorum: necessitudine domus meæ hospitio mihi factus est frater.
no verse 35 in this text
35Gravia hæc homini habenti sensum: correptio domus, et improperium fœneratoris.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.