Jezussirach 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Gelukkig de mens dus, wiens mond hem niet aanklaagt, En wiens hart geen beschuldiging tegen hem uit;
1[Beatus vir qui non est lapsus verbo ex ore suo, et non est stimulatus in tristitia delicti.
2Gelukkig de mens, wiens geweten geen verwijten doet, Want zijn hoop zal nimmer vergaan!
2Felix qui non habuit animi sui tristitiam, et non excidit a spe sua.
3Een gierig mens heeft niets aan rijkdom, En een vrek is met goud niet gebaat.
3Viro cupido et tenaci sine ratione est substantia: et homini livido ad quid aurum?
4Wie zich zelf te kort doet, spaart voor anderen, En vreemden genieten van zijn goed.
4Qui acervat ex animo suo injuste, aliis congregat, et in bonis illius alius luxuriabitur.
5Wie zichzelf niets gunt, is voor niemand goed; Maar ook zelf geniet hij niet van zijn bezit.
5Qui sibi nequam est, cui alii bonus erit? et non jucundabitur in bonis suis.
6Wie slecht is voor zichzelf, geen slechter dan hij; Maar hij wordt ook beloond voor zijn slechtheid!
6Qui sibi invidet, nihil est illo nequius: et hæc redditio est malitiæ illius.
7Doet hij soms goed, het is bij vergissing; Want tenslotte komt zijn ondeugd uit.
7Et si bene fecerit, ignoranter et non volens facit: et in novissimo manifestat malitiam suam.
8Slecht is de mens met hebzuchtige blik; Hij wendt het gelaat af en bekommert zich om niemand,
8Nequam est oculus lividi: et avertens faciem suam, et despiciens animam suam.
9Het oog van den vrek heeft aan zijn bezit niet genoeg, En het afgunstig oog mergelt hem uit.
9Insatiabilis oculus cupidi in parte iniquitatis: non satiabitur donec consumat arefaciens animam suam.
10Het gierig oog ziet uit naar spijzen, Want niets staat er op zijn tafel; Maar een goed mens heeft spijs genoeg, Zelfs uit een droge bron stroomt water op tafel.
10Oculus malus ad mala, et non saturabitur pane, sed indigens et in tristitia erit super mensam suam.
11Mijn zoon, zo ge wat hebt, doe uzelf dan te goed, En geniet ervan naar vermogen;
11Fili, si habes, benefac tecum, et Deo dignas oblationes offer.
12Denk er aan, dat de dood niet draalt, Dat de tijd, die u rest, u niet wordt gemeld.
12Memor esto quoniam mors non tardat, et testamentum inferorum, quia demonstratum est tibi: testamentum enim hujus mundi morte morietur.
13Voordat ge sterft, doe wel aan uw naaste, Geef hem, zoveel ge maar kunt;
13Ante mortem benefac amico tuo, et secundum vires tuas exporrigens da pauperi.
14Maar ontzeg ook uzelf geen gelukkige dag, Laat uw deel van het genot u niet ontsnappen.
14Non defrauderis a die bono, et particula boni doni non te prætereat.
15Moet ge niet uw bezit aan anderen achterlaten; Zullen zij uw vermogen niet verdelen door het lot?
15Nonne aliis relinques dolores et labores tuos in divisione sortis?
16Geef dus uw naaste, en vertroetel uzelf, Want in het dodenrijk is geen vreugde meer te vinden;
16Da et accipe, et justifica animam tuam.
17Alle vlees wordt oud als een kleed, Want van ouds luidt de wet: Het moet sterven!
17Ante obitum tuum operare justitiam, quoniam non est apud inferos invenire cibum.
18Zoals de bloesem ontspruit aan de groene boom, En het ene verwelkt, als het andere ontluikt, Zo ook het geslacht van vlees en bloed: Het ene sterft uit, het andere komt op;
18Omnis caro sicut fœnum veterascet, et sicut folium fructificans in arbore viridi.
19Al zijn werken zullen vergaan, Want het werk van zijn handen komt achter hem aan.
19Alia generantur, et alia dejiciuntur: sic generatio carnis et sanguinis, alia finitur, et alia nascitur.
20Vierde reeks. De wijsheid en de zonde der mensen. Inleiding. De vruchten der wijsheid. Gelukkig de mens, die bedacht is op wijsheid, En naarstig zich toelegt op inzicht;
20Omne opus corruptibile in fine deficiet, et qui illud operatur ibit cum illo.
21Die zijn hart er op zet, haar wegen te kennen, En inzicht te krijgen in haar geheimen;
21Et omne opus electum justificabitur, et qui operatur illud honorabitur in illo.]
22Die haar achtervolgt, als was hij een verspieder, En al haar wegen beloert;
22[Beatus vir qui in sapientia morabitur, et qui in justitia sua meditabitur, et in sensu cogitabit circumspectionem Dei:
23Die door haar venster naar binnen gluurt, En luistervink speelt aan haar deur;
23qui excogitat vias illius in corde suo, et in absconditis suis intelligens, vadens post illam quasi investigator, et in viis illius consistens:
24Die rond haar huis zijn verblijfplaats zoekt, En zijn tentpin in haar muren drijft;
24qui respicit per fenestras illius, et in januis illius audiens:
25Die aan haar zijde zijn tent opslaat, En daar een goede woning vindt;
25qui requiescit juxta domum illius, et in parietibus illius figens palum, statuet casulam suam ad manus illius, et requiescent in casula illius bona per ævum.
26Die zijn nest in haar lover bouwt, En op haar takken verpoost;
26Statuet filios suos sub tegmine illius, et sub ramis ejus morabitur.
27Die in haar schaduw zich tegen de hitte beschut, En een schuilhoek vindt om te wonen.
27Protegetur sub tegmine illius a fervore, et in gloria ejus requiescet.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.