Jezussirach 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1De wijsheid van een arme verheft zijn hoofd, En geeft hem een plaats onder de vorsten.
1[Sapientia humiliati exaltabit caput illius, et in medio magnatorum consedere illum faciet.
2Wil dus niemand prijzen om zijn schone gestalte, En niemand minachten om zijn uiterlijk.
2Non laudes virum in specie sua, neque spernas hominem in visu suo.
3De bij is maar nietig onder al wat er vliegt, Maar wat zij voortbrengt, overtreft al het andere.
3Brevis in volatilibus est apis, et initium dulcoris habet fructus illius.
4Spot dus niet met het kleed van een stakker, En lach niet om iemand in kwade doen; Want wonderbaar zijn de werken des Heren, En zijn beschikkingen zijn voor de mensen verborgen.
4In vestitu ne glorieris umquam, nec in die honoris tui extollaris: quoniam mirabilia opera Altissimi solius, et gloriosa, et absconsa, et invisa opera illius.
5Misdeelden bestegen dikwijls de troon, En aan wien niemand dacht, verwierf de kroon;
5Multi tyranni sederunt in throno: et insuspicabilis portavit diadema.
6Maar vele aanzienlijken kwamen ten val, En machtigen vielen het ongeluk ten prooi.
6Multi potentes oppressi sunt valide, et gloriosi traditi sunt in manus alterorum.
7Verwerp dus niet, eer ge hebt onderzocht: Eerst onderzoeken en dan verwerpen!
7Priusquam interroges, ne vituperes quemquam: et cum interrogaveris, corripe juste.]
8Mijn zoon, geef geen antwoord, vóór ge hebt geluisterd, En val den spreker niet in de rede;
8[Priusquam audias, ne respondeas verbum: et in medio sermonum ne adjicias loqui.
9Gaat de zaak u niet aan, twist er niet om, En bemoei u niet met de ruzie der bozen.
9De ea re quæ te non molestat, ne certeris: et in judicio peccantium ne consistas.
10Mijn zoon, waarom zoudt ge uw zaken vermeerderen; Want niet zonder schade breidt ge ze uit. Hoe meer ge u haast, hoe minder ge slaagt; En hoe meer ge zoekt, hoe minder ge vindt.
10Fili, ne in multis sint actus tui: et si dives fueris, non eris immunis a delicto. Si enim secutus fueris, non apprehendes: et non effugies, si præcucurreris.
11Soms tobt men zich af, men zwoegt en men ijlt, En toch bereikt men geen doel.
11Est homo laborans et festinans, et dolens: impius, et tanto magis non abundabit.
12Daarnaast staat een tobber, een stakker, Zonder kracht, en door en door arm;
12Est homo marcidus egens recuperatione, plus deficiens virtute, et abundans paupertate:
13Maar Jahweh ziet genadig hem aan, En schudt het stof en het vuil van hem af; Hij richt zijn hoofd op en heft hem omhoog, En velen staren met verbazing hem aan.
13et oculus Dei respexit illum in bono, et erexit eum ab humilitate ipsius, et exaltavit caput ejus: et mirati sunt in illo multi, et honoraverunt Deum.]
14Goed en kwaad, leven en dood, Armoe en rijkdom komen van Jahweh!.
14[Bona et mala, vita et mors, paupertas et honestas, a Deo sunt:
no verse 15 in this text
15sapientia, et disciplina, et scientia legis, apud Deum: dilectio, et viæ bonorum, apud ipsum.
16In duisternis dwalen is het lot van de zondaars, Wie kwaad doen, bij hen blijft het kwaad;
16Error et tenebræ peccatoribus concreata sunt: qui autem exsultant in malis consenescunt in malo.
17Maar zegen des Heren blijft het deel der gerechten, Zijn genade geeft hun altijd geluk.
17Datio Dei permanet justis, et profectus illius successus habebit in æternum.
18Soms wordt iemand rijk door heel veel zwoegen, En dit is het loon, dat hij krijgt:
18Est qui locupletatur parce agendo, et hæc est pars mercedis illius.
19Eens denkt hij: Rust wil ik vinden; Nu ga ik genieten van mijn bezit. Maar hij weet niet, wat hem gaat overkomen; Hij laat het anderen achter, en sterft.
19In eo quod dicit: Inveni requiem mihi, et nunc manducabo de bonis meis solus:
20Mijn zoon, volbreng standvastig uw plicht, Zodat ge vergrijst in uw werk.
20et nescit quod tempus præteriet, et mors appropinquet, et relinquat omnia aliis, et morietur.
21Verwonder u niet over de zondaars; Vertrouw op Jahweh en wacht op zijn licht! Want gemakkelijk is het in de ogen van Jahweh, Plotseling den arme rijk te maken.
21Sta in testamento tuo, et in illo colloquere, et in opere mandatorum tuorum veterasce.
22De zegen Gods is het loon van den rechtvaardige; Te zijner tijd ontluikt zijn hoop.
22Ne manseris in operibus peccatorum: confide autem in Deo, et mane in loco tuo.
23Denk niet: Wat heb ik nog nodig; Ik doe, wat ik wil; wat wens ik nog meer?
23Facile est enim in oculis Dei subito honestare pauperem.
24Denk niet: Ik heb toch genoeg; Welk ongeluk kan mij nog treffen?
24Benedictio Dei in mercedem justi festinat, et in hora veloci processus illius fructificat.
25Op de dag van geluk vergeet men het ongeluk; Op de dag van ongeluk denkt men niet meer aan geluk.
25Ne dicas: Quid est mihi opus? et quæ erunt mihi ex hoc bona?
26Want gemakkelijk is het voor Jahweh, Den mens nog op zijn sterfdag zijn gedrag te vergelden.
26Ne dicas: Sufficiens mihi sum: et quid ex hoc pessimabor?
27De tijd van ongeluk doet de vreugde vergeten, En 's mensen einde openbaart, wat hij is.
27In die bonorum ne immemor sis malorum, et in die malorum ne immemor sis bonorum:
28Vóór de dood dus niemand gelukkig prijzen, Eerst aan zijn einde erkent men den mens.
28quoniam facile est coram Deo in die obitus retribuere unicuique secundum vias suas.
29Haal niet iedereen in uw huis; Want vaak wordt een misdaad gepleegd door zwervers.
29Malitia horæ oblivionem facit luxuriæ magnæ, et in fine hominis denudatio operum illius.
30Als een lokvogel in een kooi is het hart van den trotse, Als een spion, die het zwakke punt verkent;
30Ante mortem ne laudes hominem quemquam: quoniam in filiis suis agnoscitur vir.]
31Door laster verdraait hij het goede tot kwaad, En sticht hij tweespalt onder uw vrienden.
31[Non omnem hominem inducas in domum tuam: multæ enim sunt insidiæ dolosi.
32Zoals uit een vonk veel vlammen laaien, Zo loert het Belialskind op bloed.
32Sicut enim eructant præcordia fœtentium, et sicut perdix inducitur in caveam, et ut caprea in laqueum: sic et cor superborum, et sicut prospector videns casum proximi sui.
33Ontwijk dus den kwade, want kwaad brengt hij voort; Waarom zoudt ge een blijvende smet op u laden?
33Bona enim in mala convertens insidiatur, et in electis imponet maculam.
34Ga niet om met den boze, want hij bederft uw gedrag, En maakt u afkerig van uw plicht.
34A scintilla una augetur ignis, et ab uno doloso augetur sanguis: homo vero peccator sanguini insidiatur.
no verse 35 in this text
35Attende tibi a pestifero, fabricat enim mala, ne inducat super te subsannationem in perpetuum.
no verse 36 in this text
36Admitte ad te alienigenam: et subvertet te in turbine, et abalienabit te a tuis propriis.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.