Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1De wijsheid van een arme verheft zijn hoofd, En geeft hem een plaats onder de vorsten.
1ΣΟΦΙΑ ταπεινοῦ ἀνυψώσει κεφαλὴν αὐτοῦ, καὶ ἐν μέσῳ μεγιστάνων καθίσει αὐτόν.
2Wil dus niemand prijzen om zijn schone gestalte, En niemand minachten om zijn uiterlijk.
2μὴ αἰνέσῃς ἄνδρα ἐν κάλλει αὐτοῦ καὶ μὴ βδελύξῃ ἄνθρωπον ἐν ὁράσει αὐτοῦ.
3De bij is maar nietig onder al wat er vliegt, Maar wat zij voortbrengt, overtreft al het andere.
3μικρὰ ἐν πετεινοῖς μέλισσα, καὶ ἀρχὴ γλυκασμάτων ὁ καρπὸς αὐτῆς.
4Spot dus niet met het kleed van een stakker, En lach niet om iemand in kwade doen; Want wonderbaar zijn de werken des Heren, En zijn beschikkingen zijn voor de mensen verborgen.
4ἐν περιβολῇ ἱματίων μὴ καυχήσῃ καὶ ἐν ἡμέρᾳ δόξης μὴ ἐπαίρου· ὅτι θαυμαστὰ τὰ ἔργα Κυρίου, καὶ κρυπτὰ τὰ ἔργα αὐτοῦ ἐν ἀνθρώποις.
5Misdeelden bestegen dikwijls de troon, En aan wien niemand dacht, verwierf de kroon;
5πολλοὶ τύραννοι ἐκάθισαν ἐπὶ ἐδάφους, ὁ δὲ ἀνυπονόητος ἐφόρεσε διάδημα.
6Maar vele aanzienlijken kwamen ten val, En machtigen vielen het ongeluk ten prooi.
6πολλοὶ δυνάσται ἠτιμάσθησαν σφόδρα, καὶ ἔνδοξοι παρεδόθησαν εἰς χεῖρας ἑτέρων.
7Verwerp dus niet, eer ge hebt onderzocht: Eerst onderzoeken en dan verwerpen!
7πρὶν ἐξετάσῃς, μὴ μέμψῃ· νόησον πρῶτον καὶ τότε ἐπιτίμα.
8Mijn zoon, geef geen antwoord, vóór ge hebt geluisterd, En val den spreker niet in de rede;
8πρὶν ἢ ἀκοῦσαι, μὴ ἀποκρίνου καὶ ἐν μέσῳ λόγων μὴ παρεμβάλλου.
9Gaat de zaak u niet aan, twist er niet om, En bemoei u niet met de ruzie der bozen.
9περὶ πράγματος, οὗ οὐκ ἔστι σοι χρεία, μὴ ἔριζε καὶ ἐν κρίσει ἁμαρτωλῶν μὴ συνέδρευε.
10Mijn zoon, waarom zoudt ge uw zaken vermeerderen; Want niet zonder schade breidt ge ze uit. Hoe meer ge u haast, hoe minder ge slaagt; En hoe meer ge zoekt, hoe minder ge vindt.
10Τέκνον, μὴ περὶ πολλὰ ἔστωσαν αἱ πράξεις σου· ἐὰν πληθυνῇς, οὐκ ἀθωωθήσῃ· καὶ ἐὰν διώκῃς, οὐ μὴ καταλάβῃς, καὶ οὐ μὴ ἐκφύγῃς διαδράς.
11Soms tobt men zich af, men zwoegt en men ijlt, En toch bereikt men geen doel.
11ἔστι κοπιῶν καὶ πονῶν καὶ σπεύδων, καὶ τόσῳ μᾶλλον ὑστερεῖται.
12Daarnaast staat een tobber, een stakker, Zonder kracht, en door en door arm;
12ἔστι νωθρὸς καὶ προσδεόμενος ἀντιλήψεως, ὑστερῶν ἰσχύϊ καὶ πτωχείᾳ περισσεύει· καὶ οἱ ὀφθαλμοὶ Κυρίου ἐπέβλεψαν αὐτῷ εἰς ἀγαθά, καὶ ἀνώρθωσεν αὐτὸν ἐκ ταπεινώσεως αὐτοῦ.
13Maar Jahweh ziet genadig hem aan, En schudt het stof en het vuil van hem af; Hij richt zijn hoofd op en heft hem omhoog, En velen staren met verbazing hem aan.
13καὶ ἀνύψωσε κεφαλὴν αὐτοῦ καὶ ἀπεθαύμασαν ἐπ᾿ αὐτῷ πολλοί.
14Goed en kwaad, leven en dood, Armoe en rijkdom komen van Jahweh!.
14ἀγαθὰ καὶ κακά, ζωὴ καὶ θάνατος, πτωχεία καὶ πλοῦτος παρὰ Κυρίου ἐστί.
16In duisternis dwalen is het lot van de zondaars, Wie kwaad doen, bij hen blijft het kwaad;
no verse 16 in this text
17Maar zegen des Heren blijft het deel der gerechten, Zijn genade geeft hun altijd geluk.
17δόσις Κυρίου παραμένει εὐσεβέσι, καὶ ἡ εὐδοκία αὐτοῦ εἰς τὸν αἰῶνα εὐοδωθήσεται.
18Soms wordt iemand rijk door heel veel zwoegen, En dit is het loon, dat hij krijgt:
18ἔστι πλουτῶν ἀπὸ προσοχῆς καὶ σφιγγίας αὐτοῦ, καὶ αὕτη ἡ μερὶς τοῦ μισθοῦ αὐτοῦ.
19Eens denkt hij: Rust wil ik vinden; Nu ga ik genieten van mijn bezit. Maar hij weet niet, wat hem gaat overkomen; Hij laat het anderen achter, en sterft.
19ἐν τῷ εἰπεῖν αὐτόν· εὗρον ἀνάπαυσιν καὶ νῦν φάγομαι ἐκ τῶν ἀγαθῶν μου, καὶ οὐκ οἶδε τίς καιρὸς παρελεύσεται καὶ καταλείψει αὐτὰ ἑτέροις καὶ ἀποθανεῖται.
20Mijn zoon, volbreng standvastig uw plicht, Zodat ge vergrijst in uw werk.
20στῆθι ἐν διαθήκῃ σου καὶ ὁμίλει ἐν αὐτῇ καὶ ἐν τῷ ἔργῳ σου παλαιώθητι.
21Verwonder u niet over de zondaars; Vertrouw op Jahweh en wacht op zijn licht! Want gemakkelijk is het in de ogen van Jahweh, Plotseling den arme rijk te maken.
21μὴ θαύμαζε ἐν ἔργοις ἁμαρτωλοῦ, πίστευε τῷ Κυρίῳ καὶ ἔμμενε τῷ πόνῳ σου· ὅτι κοῦφον ἐν ὀφθαλμοῖς Κυρίου διὰ τάχους ἐξάπινα πλουτίσαι πένητα.
22De zegen Gods is het loon van den rechtvaardige; Te zijner tijd ontluikt zijn hoop.
22εὐλογία Κυρίου ἐν μισθῷ εὐσεβοῦς, καὶ ἐν ὥρᾳ ταχινῇ ἀναθάλλει εὐλογίαν αὐτοῦ.
23Denk niet: Wat heb ik nog nodig; Ik doe, wat ik wil; wat wens ik nog meer?
23μὴ εἴπῃς· τίς ἐστί μου χρεία, καὶ τίνα ἀπὸ τοῦ νῦν ἔσται μου τὰ ἀγαθά;
24Denk niet: Ik heb toch genoeg; Welk ongeluk kan mij nog treffen?
24μὴ εἴπῃς· αὐτάρκη μοί ἐστι, καὶ τί ἀπὸ τοῦ νῦν κακωθήσομαι;
25Op de dag van geluk vergeet men het ongeluk; Op de dag van ongeluk denkt men niet meer aan geluk.
25ἐν ἡμέρᾳ ἀγαθῶν ἀμνησία κακῶν, καὶ ἐν ἡμέρᾳ κακῶν οὐ μνησθήσεται ἀγαθῶν·
26Want gemakkelijk is het voor Jahweh, Den mens nog op zijn sterfdag zijn gedrag te vergelden.
26ὅτι κοῦφον ἔναντι Κυρίου ἐν ἡμέρᾳ τελευτῆς ἀποδοῦναι ἀνθρώπῳ κατὰ τὰς ὁδοὺς αὐτοῦ.
27De tijd van ongeluk doet de vreugde vergeten, En 's mensen einde openbaart, wat hij is.
27κάκωσις ὥρας ἐπιλησμονὴν ποιεῖ τρυφῆς, καὶ ἐν συντελείᾳ ἀνθρώπου ἀποκάλυψις ἔργων αὐτοῦ.
28Vóór de dood dus niemand gelukkig prijzen, Eerst aan zijn einde erkent men den mens.
28πρὸ τελευτῆς μὴ μακάριζε μηδένα, καὶ ἐν τέκνοις αὐτοῦ γνωσθήσεται ἀνήρ.
29Haal niet iedereen in uw huis; Want vaak wordt een misdaad gepleegd door zwervers.
29Μὴ πάντα ἄνθρωπον εἴσαγε εἰς τὸν οἶκόν σου, πολλὰ γὰρ τὰ ἔνεδρα τοῦ δολίου.
30Als een lokvogel in een kooi is het hart van den trotse, Als een spion, die het zwakke punt verkent;
30πέρδιξ θηρευτὴς ἐν καρτάλλῳ, οὕτως καρδία ὑπερηφάνου, καὶ ὡς ὁ κατάσκοπος ἐπιβλέπει πτῶσιν·
31Door laster verdraait hij het goede tot kwaad, En sticht hij tweespalt onder uw vrienden.
31τὰ γὰρ ἀγαθὰ εἰς κακὰ μεταστρέφων ἐνεδρεύει καὶ ἐν τοῖς αἱρετοῖς ἐπιθήσει μῶμον.
32Zoals uit een vonk veel vlammen laaien, Zo loert het Belialskind op bloed.
32ἀπὸ σπινθῆρος πυρὸς πληθύνεται ἀνθρακιά, καὶ ἄνθρωπος ἁμαρτωλὸς εἰς αἷμα ἐνεδρεύει.
33Ontwijk dus den kwade, want kwaad brengt hij voort; Waarom zoudt ge een blijvende smet op u laden?
33πρόσεχε ἀπὸ κακούργου, πονηρὰ γὰρ τεκταίνει, μήποτε μῶμον εἰς τὸν αἰῶνα δῷ σοι.
34Ga niet om met den boze, want hij bederft uw gedrag, En maakt u afkerig van uw plicht.
34ἐνοίκισον ἀλλότριον καὶ διαστρέψει σε ἐν ταραχαῖς, καὶ ἀπαλλοτριώσει σε τῶν ἰδίων σου.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.