Jezussirach 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Kinderen, luistert naar het woord van uw vader, En handelt er naar, opdat het u wel ga.
1ΕΜΟΥ τοῦ πατρὸς ἀκούσατε, τέκνα, καὶ οὕτως ποιήσατε, ἵνα σωθῆτε·
2Want de Heer heeft den vader gesteld over de kinderen, En het recht van de moeder over haar zonen vastgelegd.
2ὁ γὰρ Κύριος ἐδόξασε πατέρα ἐπὶ τέκνοις καὶ κρίσιν μητρὸς ἐστερέωσεν ἐφ᾿ υἱοῖς.
3Wie zijn vader eerbiedigt, krijgt vergiffenis van zonden,
3ὁ τιμῶν πατέρα ἐξιλάσεται ἁμαρτίας,
4En wie zijn moeder eert, verzamelt zich schatten.
4καὶ ὡς ὁ ἀποθησαυρίζων, ὁ δοξάζων μητέρα αὐτοῦ.
5Wie zijn vader acht, beleeft vreugde aan zijn kinderen; En wanneer hij bidt, zal hij worden verhoord.
5ὁ τιμῶν πατέρα εὐφρανθήσεται ὑπὸ τέκνων, καὶ ἐν ἡμέρᾳ προσευχῆς αὐτοῦ εἰσακουσθήσεται.
6Wie zijn vader eert, zal lang blijven leven, En wie den Heer gehoorzaamt, verkwikt zijn moeder.
6ὁ δοξάζων πατέρα μακροημερεύσει, καὶ ὁ εἰσακούων Κυρίου ἀναπαύσει μητέρα αὐτοῦ·
7Wie den Heer vreest, eert zijn vader en moeder, En dient zijn ouders als zijn meesters.
7καὶ ὡς δεσπόταις δουλεύσει ἐν τοῖς γεννήσασιν αὐτόν.
8Mijn zoon, geef eer aan uw vader, in woord en daad, Opdat u niets overkome dan zegen.
8ἐν ἔργῳ καὶ λόγῳ τίμα τὸν πατέρα σου, ἵνα ἐπέλθῃ σοι εὐλογία παρ᾿ αὐτοῦ·
9De zegen van vader bevestigt de wortel, De vloek van moeder rukt de aanplanting uit.
9εὐλογία γὰρ πατρὸς στηρίζει οἴκους τέκνων, κατάρα δὲ μητρὸς ἐκριζοῖ θεμέλια.
10Ga niet groot op de schande van uw vader; Want dat is voor u geen eer.
10μὴ δοξάζου ἐν ἀτιμίᾳ πατρός σου, οὐ γάρ ἐστί σοι δόξα πατρὸς ἀτιμία·
11De roem van een man is de eer van zijn vader, Zijn grootste smaad de schande van zijn moeder.
11ἡ γὰρ δόξα ἀνθρώπου ἐκ τιμῆς πατρὸς αὐτοῦ, καὶ ὄνειδος τέκνοις μήτηρ ἐν ἀδοξίᾳ.
12Mijn zoon, kom op voor de eer van uw vader, En verwaarloos ze niet al de dagen uws levens.
12τέκνον, ἀντιλαβοῦ ἐν γήρᾳ πατρός σου, καὶ μὴ λυπήσῃς αὐτὸν ἐν τῇ ζωῇ αὐτοῦ·
13Als zijn geest verzwakt, wees dan toegevend; Veracht hem nooit, zolang hij leeft.
13κἂν ἀπολείπῃ σύνεσιν, συγγνώμην ἔχε καὶ μὴ ἀτιμάσῃς αὐτὸν ἐν πάσῃ ἰσχύϊ σου.
14De weldaad, aan vader bewezen, wordt nimmer vergeten, Maar als een offer voor de zonde u toegerekend.
14ἐλεημοσύνη γὰρ πατρὸς οὐκ ἐπιλησθήσεται, καὶ ἀντὶ ἁμαρτιῶν προσαν οικοδομηθήσεταί σοι.
15Op de dag van nood zal ze u worden herdacht, Als hitte op rijp smelt ze uw zonde weg.
15ἐν ἡμέρᾳ θλίψεώς σου ἀναμνησθήσεταί σου· ὡς εὐδία ἐπὶ παγετῷ, οὕτως ἀναλυθήσονταί σου αἱ ἁμαρτίαι.
16Maar wie zijn vader veracht, is een booswicht; En wie zijn moeder vervloekt, beledigt zijn Schepper.
16ὡς βλάσφημος ὁ ἐγκαταλιπὼν πατέρα, καὶ κεκατηραμένος ὑπὸ Κυρίου ὁ παροργίζων μητέρα αὐτοῦ.
17Mijn zoon, als ge rijk zijt, wandel in deemoed, En ge wordt meer bemind dan wie geschenken geeft.
17τέκνον, ἐν πραυ±τητι τὰ ἔργα σου διέξαγε, καὶ ὑπὸ ἀνθρώπου δεκτοῦ ἀγαπηθήσῃ.
18Verneder uzelf voor al het grote der wereld; Dan zult ge barmhartigheid vinden bij God.
18ὅσῳ μέγας εἶ, τοσούτῳ ταπεινοῦ σεαυτόν, καὶ ἔναντι Κυρίου εὑρήσεις χάριν·
20Want groot is Gods barmhartigheid, Aan de nederigen openbaart Hij zijn raadsbesluit.
20ὅτι μεγάλη ἡ δυναστεία τοῦ Κυρίου καὶ ὑπὸ τῶν ταπεινῶν δοξάζεται.
21Streef niet naar wat u te boven gaat, En tracht het verborgene niet te doorgronden.
21χαλεπώτερά σου μὴ ζήτει καὶ ἰσχυρότερά σου μὴ ἐξέταζε·
22Denk alleen aan wat bereikbaar voor u is; Want wat verborgen is, hebt ge niet nodig.
22ἃ προσετάγη σοι, ταῦτα διανοοῦ, οὐ γάρ ἐστί σοι χρεία τῶν κρυπτῶν.
23Verdiep u niet in wat u te boven gaat, Want te veel werd u reeds te zien gegeven;
23ἐν τοῖς περισσοῖς τῶν ἔργων σου μὴ περιεργάζου· πλείονα γὰρ συνέσεως ἀνθρώπων ὑπεδείχθη σοι·
24Eindeloos immers zijn de gedachten der mensen, En boze voorstellingen misleiden.
24πολλοὺς γὰρ ἐπλάνησεν ἡ ὑπόληψις αὐτῶν, καὶ ὑπόνοια πονηρὰ ὠλίσθησε διανοίας αὐτῶν. [25 κόρας μὴ ἔχων ἀπορήσεις φωτός, γνώσεως δὲ ἄμοιρος ὢν μὴ ἐπαγγέλλου].
25Waar geen oogappel is, helpt geen licht; En wie geen verstand heeft, hem baat geen wijsheid.
no verse 25 in this text
26Met een vermetel hart loopt het slecht af; Maar wie het goede bemint, zal er wel bij varen. Een hart, dat twee wegen gaat, kent geen geluk; Want door zijn boosheid vindt het er zijn verderf.
26καρδία σκληρὰ κακωθήσεται ἐπ᾿ ἐσχάτων, καὶ ὁ ἀγαπῶν κίνδυνον ἐν αὐτῷ ἐμπεσεῖται.
27Een vermetel hart zal veel pijn moeten lijden, Want in zijn verstoktheid stapelt het zonde op zonde.
27καρδία σκληρὰ βαρυνθήσεται πόνοις, καὶ ὁ ἁμαρτωλὸς προσθήσει ἁμαρτίαν ἐφ᾿ ἁμαρτίαις.
28Loop niet om artsenij voor de wonde van den verwaande; Er is toch geen genezing, want zijn planting is slecht.
28ἐπαγωγὴ ὑπερηφάνου οὐκ ἔστιν ἴασις, φυτὸν γὰρ πονηρίας ἐρρίζωκεν ἐν αὐτῷ.
29Een verstandig hart begrijpt de spreuken der wijzen. En een oplettend oor verneemt de wijsheid graag. Wie verstandig en wijs is, houdt zich ver van de zonde, En legt zich op werken van gerechtigheid toe.
29καρδία συνετοῦ διανοηθήσεται παραβολήν, καὶ οὖς ἀκροατοῦ ἐπιθυμία σοφοῦ.
30Zoals vlammend vuur wordt geblust met water, Zo wist gerechtigheid de zonde uit.
30πῦρ φλογιζόμενον ἀποσβέσει ὕδωρ, καὶ ἐλεημοσύνη ἐξιλάσεται ἁμαρτίας.
31Wie goed doet, gaat het goed in het leven; En mocht hij soms wankelen, dan vindt hij een steun.
31ὁ ἀνταποδιδοὺς χάριτας μέμνηται εἰς τὰ μετὰ ταῦτα, καὶ ἐν καιρῷ πτώσεως εὑρήσει στήριγμα.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.