Jezussirach 49
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Josias' naam is als geurige wierook, Met zout gemengd, het werk van den balsembereider; Zijn gedachtenis is zoet als honing in de mond, En als een lied bij een wijngelag.
1ΜΝΗΜΟΣΥΝΟΝ Ἰωσίου εἰς σύνθεσιν θυμιάματος ἐσκευασμένον ἔργῳ μυρεψοῦ· ἐν παντὶ στόματι ὡς μέλι γλυκανθήσεται καὶ ὡς μουσικὰ ἐν συμποσίῳ οἴνου.
2Want hij ontstak in toorn over onze afval, En maakte een eind aan de gruwel der afgoden.
2αὐτὸς κατηυθύνθη ἐν ἐπιστροφῇ λαοῦ καὶ ἐξῇρε βδελύγματα ἀνομίας·
3Hij richtte zijn hart geheel op God; In zondige tijden beoefende hij de deugd.
3κατεύθυνε πρὸς Κύριον τὴν καρδίαν αὐτοῦ, ἐν ἡμέραις ἀνόμων κατίσχυσε τὴν εὐσέβειαν.
4Behalve David, Ezekias en Josias, Hebben zij allen gezondigd; Want zij verlieten de Wet van den Allerhoogste, De koningen van Juda, zij allen.
4Πάρεξ Δαυὶδ καὶ Ἐζεκίου καὶ Ἰωσίου, πάντες πλημμέλειαν ἐπλημμέλησαν· κατέλιπον γὰρ τὸν νόμον τοῦ Ὑψίστου, οἱ βασιλεῖς Ἰούδα ἐξέλιπον·
5Zo gaven zij hun macht aan een ander, En hun glorie aan een vreemd volk,
5ἔδωκαν γὰρ τὸ κέρας αὐτῶν ἑτέροις καὶ τὴν δόξαν αὐτῶν ἔθνει ἀλλοτρίῳ.
6Dat de heilige stad in brand stak, En haar straten verlaten liet liggen.
6ἐνεπύρισαν ἐκλεκτὴν πόλιν ἁγιάσματος καὶ ἠρήμωσαν τὰς ὁδοὺς αὐτῆς ἐν χειρὶ Ἱερεμίου·
7Het was om Jeremias, dien ze hadden mishandeld, Ofschoon hij van de moederschoot af tot profeet was bestemd, Om neer te werpen, uit te rukken en te verdelgen, Maar ook om te bouwen, te planten en te herstellen.
7ἐκάκωσαν γὰρ αὐτόν, καὶ αὐτὸς ἐν μήτρᾳ ἡγιάσθη προφήτης ἐκριζοῦν καὶ κακοῦν καὶ ἀπολλύειν, ὡσαύτως οἰκοδομεῖν καὶ καταφυτεύειν.
8Ezekiël schouwde een visioen, En beschreef de gestalten bij de wagen.
8Ἰεζεκιὴλ ὃς εἶδεν ὅρασιν δόξης, ἣν ὑπέδειξεν αὐτῷ ἐπὶ ἅρματος Χερουβίμ·
9Ook riep hij de herinnering op van Job, Die de wegen der gerechtigheid heeft bewandeld.
9καὶ γὰρ ἐμνήσθη τῶν ἐχθρῶν ἐν ὄμβρῳ καὶ ἀγαθῶσαι τοὺς εὐθύνοντας ὁδούς.
10Ook de twaalf profeten wil ik prijzen: Moge hun gebeente hun graf ontspruiten; Want zij hebben Jakob genezen En door gelovig vertrouwen gered.
10καὶ τῶν δώδεκα προφητῶν τὰ ὀστᾶ ἀναθάλοι ἐκ τοῦ τόπου αὐτῶν· παρεκάλεσε δὲ τὸν Ἰακὼβ καὶ ἐλυτρώσατο αὐτοὺς ἐν πίστει ἐλπίδος.
11Hoe zullen we Zorobabel prijzen! Hij toch was als een zegelring aan de rechterhand.
11Πῶς μεγαλύνωμεν τὸν Ζοροβάβελ; καὶ αὐτὸς ὡς σφραγὶς ἐπὶ δεξιᾶς χειρός,
12Hoe ook, Jehosjóea, den zoon van Josadak? Want zij herbouwden in hun dagen de tempel, En richtten het heiligdom weer op, Voor eeuwige glorie bestemd.
12οὕτως Ἰησοῦς υἱὸς Ἰωσεδέκ, οἳ ἐν ἡμέραις αὐτῶν ᾠκοδόμησαν οἶκον καὶ ἀνύψωσαν λαὸν ἅγιον Κυρίῳ ἡτοιμασμένον εἰς δόξαν αἰῶνος.
13Nehemias: zijn gedachtenis blijve in ere! Want hij heeft onze ruïnen hersteld; Hij richtte onze puinhopen weer op, En bevestigde poorten en grendels.
13καὶ Νεεμίου ἐπὶ πολὺ τὸ μνημόσυνον τοῦ ἐγείραντος ἡμῖν τείχη πεπτωκότα καὶ στήσαντος πύλας καὶ μοχλοὺς καὶ ἀνεγείραντος τὰ οἰκόπεδα ἡμῶν.
14Als Henok zijn er weinigen op aarde geweest; Hij werd immers van de aarde ontrukt.
14Οὐδὲ εἷς ἐκτίσθη οἷος Ἐνὼχ τοιοῦτος ἐπὶ τῆς γῆς· καὶ γὰρ αὐτὸς ἀνελήφθη ἀπὸ τῆς γῆς.
15En als Josef werd er niemand geboren, Zelfs zijn lijk werd nog zorgzaam bewaard. Maar de eerste van zijn broeders, de roem van zijn volk
15οὐδὲ ὡς Ἰωσὴφ ἐγεννήθη ἀνὴρ ἡγούμενος ἀδελφῶν, στήριγμα λαοῦ, καὶ τὰ ὀστᾶ αὐτοῦ ἐπεσκέπησαν.
16Sem, Set en Enos blijven in ere, En boven alle mensen gaat de glorie van Adam;
16Σὴμ καὶ Σὴθ ἐν ἀνθρώποις ἐδοξάσθησαν καὶ ὑπὲρ πᾶν ζῷον ἐν τῇ κτίσει Ἀδάμ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.