Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Wie pek aanraakt, aan zijn hand blijft het kleven; Wie met een spotter omgaat, krijgt zijn manieren.
1Ο ΑΠΤΟΜΕΝΟΣ πίσσης μολυνθήσεται, καὶ ὁ κοινωνῶν ὑπερηφάνῳ ὁμοιωθήσεται αὐτῷ.
2Wilt ge dragen, wat te zwaar voor u is? Waarom dan omgang hebben met wie rijker is dan gij? Kan de pot wel samengaan met de ketel? Stoten ze tegen elkander, de pot zal breken.
2βάρος ὑπὲρ σὲ μὴ ἄρῃς, καὶ ἰσχυροτέρῳ σου καὶ πλουσιωτέρῳ μὴ κοινώνει. τί κοινωνήσει χύτρα πρὸς λέβητα; αὕτη προσκρούσει, καὶ αὕτη συντριβήσεται.
3Doet de rijke onrecht, hij beroemt er zich op; De arme moet nog smeken, als hij verdrukt wordt.
3πλούσιος ἠδίκησε, καὶ αὐτὸς προσενεβριμήσατο· πτωχὸς ἠδίκηται, καὶ αὐτὸς προσδεηθήσεται.
4Zo ge hem van dienst zijt, buit hij u uit; Als ge er bij neervalt, spaart hij u niet.
4ἐὰν χρησιμεύσῃς, ἐργᾶται ἐν σοί· καὶ ἐὰν ὑστερήσῃς, καταλείψει σε.
5Zo lang ge hebt, doet hij vriendelijk met u, Maar maakt u arm zonder enige spijt.
5ἐὰν ἔχῃς, συμβιώσεταί σοι καὶ ἀποκενώσει σε, καὶ αὐτὸς οὐ πονέσει.
6Heeft hij u nodig, dan is hij verknocht, Schertst met u, en doet erg vertrouwelijk;
6χρείαν ἔσχηκέ σου, καὶ ἀποπλανήσει σε καὶ προσγελάσεταί σοι καὶ δώσει σοι ἐλπίδα· λαλήσει σοι καλὰ καὶ ἐρεῖ· τίς ἡ χρεία σου;
7Totdat hij geslaagd is. drijft hij zijn spel met u, Tweemaal, driemaal kleedt hij u uit. Ziet hij u later, dan loopt hij u voorbij, En schudt zijn hoofd over u.
7καὶ αἰσχυνεῖ σε ἐν τοῖς βρώμασιν αὐτοῦ, ἕως οὗ ἀποκενώσῃ σε δὶς ἢ τρίς, καὶ ἐπ᾿ ἐσχάτων καταμωκήσεταί σου· μετὰ ταῦτα ὄψεταί σε καὶ καταλείψει σε καὶ τὴν κεφαλὴν αὐτοῦ κινήσει ἐπὶ σοί.
8Geef dus acht, word niet te overmoedig; Word niet gelijk aan mensen zonder verstand.
8πρόσεχε μὴ ἀποπλανηθῇς καὶ μὴ ταπεινωθῇς ἐν ἀφροσύνῃ σου.
9Nadert er een prins, houd u op een afstand, Met des te groter aandrang zal hij u ontbieden;
9Προσκαλεσαμένου σε δυνάστου, ὑποχωρῶν γίνου, καὶ τόσῳ μᾶλλον προσκαλέσεταί σε.
10Dring u niet op, anders wijst men u terug, Blijf ook niet te ver, anders wordt ge vergeten.
10μὴ ἔμπιπτε, ἵνα μὴ ἀπωσθῇς, καὶ μὴ μακρὰν ἀφίστω, ἵνα μὴ ἐπιλησθῇς.
11Ga niet te vrijpostig met hem om, En vertrouw niet te veel op zijn praten; Want hij praat zo veel, om u te beproeven, Hij schertst met u en hoort u uit.
11μὴ ἔπεχε ἰσηγορεῖσθαι μετ᾿ αὐτοῦ καὶ μὴ πίστευε τοῖς πλείοσι λόγοις αὐτοῦ· ἐκ πολλῆς γὰρ λαλιᾶς πειράσει σε καὶ ὡς προσγελῶν ἐξετάσει σε.
12Meedogenloos drijft hij met iemand de spot, Onbarmhartig legt hij lagen voor velen.
12ἀνελεήμων ὁ μὴ συντηρῶν λόγους καὶ οὐ μὴ φείσηται περὶ κακώσεως καὶ δεσμῶν.
13Wees dus gewaarschuwd en blijf op uw hoede; Ga niet om met mensen van geweld.
13συντήρησον καὶ πρόσεχε σφοδρῶς, ὅτι μετὰ τῆς πτώσεώς σου περιπατεῖς. [14 ἀκούων αὐτὰ ἐν ὕπνῳ σου γρηγόρησον· πάσῃ ζωῇ σου ἀγάπα τὸν Κύριον, καὶ ἐπικαλοῦ αὐτὸν εἰς σωτηρίαν σου].
15Zoals ieder wezen zijns gelijke bemint, Evenzo de mens dengene, die op hem gelijkt.
15Πᾶν ζῷον ἀγαπᾷ τὸ ὅμοιον αὐτῷ καὶ πᾶς ἄνθρωπος τὸν πλησίον αὐτοῦ·
16Ieder wezen sluit zich aan bij zijn soort, Zo moet ook de mens slechts omgaan met zijns gelijke.
16πᾶσα σὰρξ κατὰ γένος συνάγεται, καὶ τῷ ὁμοίῳ αὐτοῦ προσκολληθήσεται ἀνήρ.
17Sluit de wolf zich soms aan bij het lam? Evenmin de boze bij den rechtvaardige.
17τί κοινωνήσει λύκος ἀμνῷ; οὕτως ἁμαρτωλὸς πρὸς εὐσεβῆ.
18Is er wel vrede tussen hyena en hond? Evenmin is er vrede tussen rijk en arm.
18τίς εἰρήνη ὑαίνῃ πρὸς κύνα; καὶ τίς εἰρήνη πλουσίῳ πρὸς πένητα;
19De ezel der steppe is een prooi voor den leeuw, Zo zijn de armen de kudde der rijken.
19κυνήγια λεόντων ὄναγροι ἐν ἐρήμῳ, οὕτως νομαὶ πλουσίων πτωχοί.
20Zoals de trotse de ootmoed veracht, Zo minacht de rijke den arme.
20βδέλυγμα ὑπερηφάνῳ ταπεινότης, οὕτως βδέλυγμα πλουσίῳ πτωχός.
21Wankelt de rijke, hij wordt gesteund door een vriend; Maar wankelt de arme, men stuurt hem van den een naar den ander.
21πλούσιος σαλευόμενος στηρίζεται ὑπὸ φίλων, ταπεινὸς δὲ πεσὼν προσαπωθεῖται ὑπὸ φίλων.
22Als de rijke spreekt, heeft hij vele handlangers, En zijn lelijke woorden noemt men nog mooi. Maar spreekt de arme, dan lacht men hem uit; Al spreekt hij verstandig, hij vindt geen gehoor.
22πλουσίου σφαλέντος πολλοὶ ἀντιλήπτορες, ἐλάλησεν ἀπόρρητα καὶ ἐδικαίωσαν αὐτόν. ταπεινὸς ἔσφαλε καὶ προσεπετίμησαν αὐτῷ, ἐφθέγξατο σύνεσιν καὶ οὐκ ἐδόθη αὐτῷ τόπος.
23Als de rijke spreekt, zwijgen allen stil, En hemelhoog verheft men zijn onzin. Maar spreekt een arme, dan zegt men: “Wie is dat?” Begaat hij een vergissing, dan stoot men hem neer.
23πλούσιος ἐλάλησε καὶ πάντες ἐσίγησαν, καὶ τὸν λόγον αὐτοῦ ἀνύψωσαν ἕως τῶν νεφελῶν. πτωχὸς ἐλάλησε καὶ εἶπαν· τίς οὗτος; κἂν προσκόψῃ, προσανατρέψουσιν αὐτόν.
24Goed is de rijkdom, als hij is zonder zonde; Maar slecht is de armoe, die voortkomt uit kwaad.
24ἀγαθὸς ὁ πλοῦτος, ᾧ μή ἐστιν ἁμαρτία, καὶ πονηρὰ ἡ πτωχεία ἐν στόματι ἀσεβοῦς.
25's Mensen hart verandert zijn gelaat, Hetzij ten goede of ten kwade;
25Καρδία ἀνθρώπου ἀλλοιοῖ τὸ πρόσωπον αὐτοῦ, ἐάν τε εἰς ἀγαθὰ ἐάν τε εἰς κακά.
26Een blij gelaat is het teken van een goed geweten, In eenzaamheid peinzen het teken van zinnen op kwaad.
26ἴχνος καρδίας ἐν ἀγαθοῖς πρόσωπον ἱλαρόν, καὶ εὕρεσις παραβολῶν διαλογισμοὶ μετὰ κόπου.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.