Jezussirach 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Mijn zoon, hebt ge gezondigd, doe het niet meer, En bid voor uw vroegere zonden.
1ΤΕΚΝΟΝ, ἥμαρτες, μὴ προσθῇς μηκέτι καὶ περὶ τῶν προτέρων σου δεήθητι.
2Vlucht voor de zonde als voor een slang, Want als ge haar nadert, zal ze u bijten; Leeuwentanden zijn haar tanden, Ze verslinden de zielen der mensen.
2ὡς ἀπὸ προσώπου ὄφεως φεῦγε ἀπὸ ἁμαρτίας, ἐὰν γὰρ προσέλθῃς, δήξεταί σε· ὀδόντες λέοντος οἱ ὀδόντες αὐτῆς ἀναιροῦντες ψυχὰς ἀνθρώπων.
3Iedere zonde is als een tweesnijdend zwaard; Geen genezing is er voor haar wonde.
3ὡς ρομφαία δίστομος πᾶσα ἀνομία, τῇ πληγῇ αὐτῆς οὐκ ἔστιν ἴασις.
4Bedreiging en hoogmoed verwoesten de rijkdom, Daardoor stort het huis van den trotse in puin;
4καταπληγμὸς καὶ ὕβρις ἐρημώσουσι πλοῦτον· οὕτως οἶκος ὑπερηφάνου ἐρημωθήσεται.
5Maar het gebed van den kleine dringt door tot Gods oor, En hem zal spoedig recht wedervaren.
5δέησις πτωχοῦ ἐκ στόματος ἕως ὠτίων αὐτοῦ, καὶ τὸ κρίμα αὐτοῦ κατὰ σπουδὴν ἔρχεται.
6Wie berisping haat, volgt het spoor van den zondaar; Maar wie God vreest, neemt ze ter harte.
6μισῶν ἐλεγμὸν ἐν ἴχνει ἁμαρτωλοῦ, καὶ ὁ φοβούμενος Κύριον ἐπιστρέψει ἐν καρδίᾳ.
7De snoever is alom bekend, Maar de verstandige merkt diens misstappen wel.
7γνωστὸς μακρόθεν ὁ δυνατὸς ἐν γλώσσῃ, ὁ δὲ νοήμων οἶδεν ἐν τῷ ὀλισθαίνειν αὐτόν.
8Wie zijn huis gaat bouwen met andermans geld, Is als een, die stenen vergaart voor de winter.
8ὁ οἰκοδομῶν τὴν οἰκίαν αὐτοῦ ἐν χρήμασιν ἀλλοτρίοις, ὡς ὁ συνάγων αὐτοῦ τοὺς λίθους εἰς χειμῶνα.
9De bent der zondaars is een stapel vlas; Hun einde is het vlammende vuur.
9στυππεῖον συνηγμένον συναγωγὴ ἀνόμων, καὶ ἡ συντέλεια αὐτῶν φλὸξ πυρός.
10De weg der zondaren is vrij van stenen; Maar aan het einde ervan ligt de diepte der hel.
10ὁδὸς ἁμαρτωλῶν ὡμαλισμένη ἐκ λίθων, καὶ ἐπ᾿ ἐσχάτῳ αὐτῆς βόθρος ᾅδου.
11Wie de Wet onderhoudt, is heer van zijn denken; Want wijsheid is het einde van de vreze des Heren.
11Ὁ φυλάσσων νόμον κατακρατεῖ τοῦ ἐννοήματος αὐτοῦ, καὶ συντέλεια τοῦ φόβου Κυρίου σοφία.
12Wie niet schrander is, wordt niet geleerd; Maar er is ook een schranderheid, die vol bitterheid is.
12οὐ παιδευθήσεται ὃς οὐκ ἔστι πανοῦργος· ἔστι πανουργία πληθύνουσα πικρίαν.
13De kennis van een wijze zwelt aan als een stortvloed, En zijn schranderheid als een levende bron;
13γνῶσις σοφοῦ ὡς κατακλυσμὸς πληθυνθήσεται καὶ ἡ βουλὴ αὐτοῦ ὡς πηγὴ ζωῆς.
14Maar het hart van den dwaas is als een gebroken kruik, Het kan geen enkele kennis behouden.
14ἔγκατα μωροῦ ὡς ἀγγεῖον συντετριμμένον καὶ πᾶσαν γνῶσιν οὐ κρατήσει.
15Als de verstandige een wijs woord verneemt, Prijst hij het en voegt er een ander aan toe; Hoort de lichtzinnige het, dan walgt het hem, En hij werpt het achter zijn rug.
15λόγον σοφὸν ἐὰν ἀκούσῃ ἐπιστήμων, αἰνέσει αὐτὸν καὶ ἐπ᾿ αὐτὸν προσθήσει· ἤκουσεν ὁ σπαταλῶν καὶ ἀπήρεσεν αὐτῷ, καὶ ἀπέστρεψεν αὐτὸν ὀπίσω τοῦ νώτου αὐτοῦ.
16Het gesprek van den dwaas is als een last op reis, Maar op de lippen van den wijze ligt bevalligheid;
16ἐξήγησις μωροῦ ὡς ἐν ὁδῷ φορτίον, ἐπὶ δὲ χείλους συνετοῦ εὑρεθήσεται χάρις.
17In de vergadering hangt men aan de mond van den wijze, En zijn woorden overdenkt men in het hart.
17στόμα φρονίμου ζητηθήσεται ἐν ἐκκλησίᾳ, καὶ τοὺς λόγους αὐτοῦ διανοηθήσονται ἐν καρδίᾳ.
18Voor een dwaas is de wijsheid als een vervallen huis; Zijn kennis beperkt zich tot ordeloze woorden.
18ὡς οἶκος ἠφανισμένος οὕτως μωρῷ σοφία, καὶ γνῶσις ἀσυνέτου ἀδιεξέταστοι λόγοι.
19De tucht is voor den dwaas als kluisters aan de voeten, Als boeien aan de rechterhand.
19πέδαι ἐν ποσὶν ἀνοήτοις παιδεία καὶ ὡς χειροπέδαι ἐπὶ χειρὸς δεξιᾶς.
20Lacht de dwaas, hij schatert het uit; De wijze echter glimlacht nauwelijks.
20μωρὸς ἐν γέλωτι ἀνυψοῖ φωνὴν αὐτοῦ, ἀνὴρ δὲ πανοῦργος μόλις ἡσυχῇ μειδιάσει.
21De tucht is voor den wijze als een sieraad van goud, Als een armband aan de rechterhand.
21ὡς κόσμος χρυσοῦ φρονίμῳ παιδεία καὶ ὡς χλιδὼν ἐπὶ βραχίονι δεξιῷ.
22De dwaas rent hals-over-kop de huizen binnen, Maar een man van ervaring blijft bescheiden buiten;
22ποὺς μωροῦ ταχὺς εἰς οἰκίαν, ἄνθρωπος δὲ πολύπειρος αἰσχυνθήσεται ἀπὸ προσώπου.
23De dwaas gluurt door de deur naar binnen, Maar een welopgevoed man blijft buiten staan.
23ἄφρων ἀπὸ θύρας παρακύπτει εἰς οἰκίαν, ἀνὴρ δὲ πεπαιδευμένος ἔξω στήσεται.
24Het staat onbeschaafd, aan de deur te luisteren; Een wijs man zou daarbij van schaamte vergaan.
24ἀπαιδευσία ἀνθρώπου ἀκροᾶσθαι παρὰ θύραν, ὁ δὲ φρόνιμος βαρυνθήσεται ἀτιμίᾳ.
25De dwaas heeft de mond vol over anderen; De wijze weegt zijn woorden op een schaal.
25χείλη ἀλλοτρίων ἐν τούτοις βαρυνθήσεται, λόγοι δὲ φρονίμων ἐν ζυγῷ σταθήσονται.
26De dwazen hebben het hart in de mond; De wijze heeft zijn mond in het hart.
26ἐν στόματι μωρῶν ἡ καρδία αὐτῶν, καρδία δὲ σοφῶν στόμα αὐτῶν.
27Als een dwaas den satan vervloekt, Dan vervloekt hij zichzelf;
27ἐν τῷ καταρᾶσθαι ἀσεβῆ τὸν σατανᾶν αὐτὸς καταρᾶται τὴν ἑαυτοῦ ψυχήν.
28Wie kwaadspreekt, schandvlekt zichzelf, En is gehaat in heel de buurt.
28μολύνει τὴν ἑαυτοῦ ψυχὴν ὁ ψιθυρίζων καὶ ἐν παροικήσει μισηθήσεται.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.