Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Josuë, de zoon van Noen, was een machtig held, Moses' dienaar in het profetenambt; Die geschapen was, zoals zijn naam verluidt, Om een grote redding te zijn voor zijn uitverkorenen. Om wraak te nemen op den vijand, En Israël in het bezit van zijn erfdeel te stellen.
1ΚΡΑΤΑΙΟΣ ἐν πολέμοις Ἰησοῦς Ναυῆ καὶ διάδοχος Μωυσῆ ἐν προφητείαις, ὃς ἐγένετο κατὰ τὸ ὄνομα αὐτοῦ μέγας ἐπὶ σωτηρίᾳ ἐκλεκτῶν αὐτοῦ ἐκδικῆσαι ἐπεγειρομένους ἐχθρούς, ὅπως κατακληρονομήσῃ τὸν Ἰσραήλ.
2Wat was hij groot, toen hij zijn hand verhief, En zijn lans zwaaide tegen de stad!
2ὡς ἐδοξάσθη ἐν τῷ ἐπᾶραι χεῖρας αὐτοῦ καὶ ἐν τῷ ἐκτεῖναι ρομφαίαν ἐπὶ πόλεις.
3Wie had er voor hem stand kunnen houden, Daar hij de krijg van Jahweh streed?
3τίς πρότερον αὐτοῦ οὕτως ἔστη; τοὺς γὰρ πολεμίους Κύριος αὐτὸς ἐπήγαγεν.
4Stond de zon niet stil op zijn bevel; Werd niet één dag toen als twee?
4οὐχὶ ἐν χειρὶ αὐτοῦ ἀνεπόδισεν ὁ ἥλιος καὶ μία ἡμέρα ἐγενήθη πρὸς δύο;
5Hij riep den Allerhoogste aan, Toen de vijanden hem rondom belaagden; En de allerhoogste God verhoorde hem, Met hagelstenen van geweldige kracht.
5ἐπεκαλέσατο τὸν Ὓψιστον δυνάστην ἐν τῷ θλῖψαι αὐτὸν ἐχθροὺς κυκλόθεν, καὶ ἐπήκουσεν αὐτῶν μέγας Κύριος ἐν λίθοις χαλάζης δυνάμεως κραταιᾶς·
6Hij slingerde ze neer op het vijandige volk, En verdelgde Kanaän op de helling der bergen, Opdat alle volkeren onder de ban zouden weten, Dat Jahweh neerzag op hun krijg.
6κατέρραξεν ἐπ᾿ ἔθνος πόλεμον καὶ ἐν καταβάσει ἀπώλεσεν ἀνθεστηκότας, ἵνα γνῶσιν ἔθνη πανοπλίαν αὐτοῦ ὅτι ἐναντίον Κυρίου ὁ πόλεμος αὐτοῦ· καὶ γὰρ ἐπηκολούθησεν ὀπίσω δυνάστου.
7Maar ook, omdat hij God had gehoorzaamd, En in de dagen van Moses Hem trouw was gebleven: Hij en Kaleb, de zoon van Jefoenne: Door stand te houden, toen het volk afviel, Door de toorn af te wenden van de gemeente, En het boze morren tot bedaren te brengen,
7Καὶ ἐν ἡμέραις Μωυσέως ἐποίησεν ἔλεος, αὐτὸς καὶ Χάλεβ υἱὸς Ἰεφοννῆ, ἀντιστῆναι ἔναντι ἐκκλησίας, κωλῦσαι λαὸν ἀπὸ ἁμαρτίας καὶ κοπάσαι γογγυσμὸν πονηρίας.
8Daarom werden zij beiden alleen uitgezonderd Van de zesmaal honderdduizend zwervers, En binnengevoerd in hun erfdeel, In het land, dat druipt van melk en honing.
8καὶ αὐτοὶ δύο ὄντες διεσώθησαν ἀπὸ ἑξακοσίων χιλιάδων πεζῶν, εἰσαγαγεῖν αὐτοὺς εἰς κληρονομίαν, εἰς γῆν ρέουσαν γάλα καὶ μέλι.
9Aan Kaleb verleende hij bovendien kracht, Die hem bijbleef in zijn ouderdom. Hij voerde hem op naar de hoge streken, Waar zijn kroost zich een erfdeel verwierf;
9καὶ ἔδωκεν ὁ Κύριος τῷ Χάλεβ ἰσχύν, καὶ ἕως γήρους διέμεινεν αὐτῷ ἐπιβῆναι αὐτὸν ἐπὶ τὸ ὕψος τῆς γῆς, καὶ τὸ σπέρμα αὐτοῦ κατέσχε κληρονομίαν,
10Opdat heel het geslacht van Jakob zou weten, Dat het goed is, Jahweh trouw te volgen!
10ὅπως ἴδωσι πάντες οἱ υἱοὶ Ἰσραὴλ ὅτι καλὸν τὸ πορεύεσθαι ὀπίσω Κυρίου.
11Ook de Rechters, ieder bij name, Allen, die onbedorven waren van hart En God niet ontrouw werden: Hun gedachtenis blijve in zegening,
11Καὶ οἱ κριταί, ἕκαστος τῷ αὐτοῦ ὀνόματι, ὅσων οὐκ ἐξεπόρνευσεν ἡ καρδία καὶ ὅσοι οὐκ ἀπεστράφησαν ἀπὸ Κυρίου, εἴη τὸ μνημόσυνον αὐτῶν ἐν εὐλογίαις·
12Hun gebeente schiete nieuwe loten, En hun naam leve voort in hun zonen!
12τὰ ὀστᾶ αὐτῶν ἀναθάλοι ἐκ τοῦ τόπου αὐτῶν καὶ τὸ ὄνομα αὐτῶν ἀντικαταλλασσόμενον ἐφ᾿ υἱοῖς δεδοξασμένων αὐτῶν.
13Geëerd bij zijn volk, door zijn Schepper bemind, Was hij, wiens geboorte werd afgebeden: Aan Jahweh gewijd in het profetenambt, Samuël, de Rechter en Priester. Op Gods bevel stelde hij het koningschap in, En zalfde vorsten over het volk.
13Ἠγαπημένος ὑπὸ Κυρίου αὐτοῦ Σαμουὴλ προφήτης Κυρίου κατέστησε βασιλείαν καὶ ἔχρισεν ἄρχοντας ἐπὶ τὸν λαὸν αὐτοῦ·
14Hij gaf bevelen aan het vergaderde volk, En trok de tenten van Jakob rond;
14ἐν νόμῳ Κυρίου ἔκρινε συναγωγήν, καὶ ἐπεσκέψατο Κύριος τὸν Ἰακώβ·
15Om zijn onkreukbaarheid was hij gezocht als profeet, Om zijn woord werd hij als ziener vertrouwd.
15ἐν πίστει αὐτοῦ ἠκριβάσθη προφήτης καὶ ἐγνώσθη ἐν πίστει αὐτοῦ πιστὸς ὁράσεως.
16Hij riep tot Jahweh, toen de vijand rondom hem belaagde, En offerde een vlekkeloos lam.
16καὶ ἐπεκαλέσατο τὸν Κύριον δυνάστην ἐν τῷ θλῖψαι ἐχθροὺς αὐτοῦ κυκλόθεν ἐν προσφορᾷ ἀρνὸς γαλαθηνοῦ·
17En Jahweh deed uit de hemel zijn donder weergalmen, Men hoorde zijn stem in machtig gedreun;
17καὶ ἐβρόντησεν ἀπ᾿ οὐρανοῦ Κύριος καὶ ἐν ἤχῳ μεγάλῳ ἀκουστὴν ἐποίησε τὴν φωνὴν αὐτοῦ
18Hij sloeg de aanvoerders van den vijand te pletter, En bracht al de vorsten der Filistijnen ten onder
18καὶ ἐξέτριψεν ἡγουμένους Τυρίων καὶ πάντας ἄρχοντας Φυλιστιείμ.
19En toen de tijd was gekomen van zijn ontslapen, Riep hij Jahweh en zijn gezalfde tot zijn getuige: “Van wien heb ik geschenken, een schoen slechts genomen?” En niemand was er, die er antwoord op gaf.
19καὶ πρὸ καιροῦ κοιμήσεως αἰῶνος ἐπεμαρτύρατο ἔναντι Κυρίου καὶ χριστοῦ αὐτοῦ· χρήματα καὶ ἕως ὑποδημάτων ἀπὸ πάσης σαρκὸς οὐκ εἴληφα· καὶ οὐκ ἐνεκάλεσεν αὐτῷ ἄνθρωπος.
20Zelfs na zijn dood werd hij nog ondervraagd En voorspelde den koning zijn lot; Hij verhief uit de aarde zijn profetische stem, Om een einde te maken aan het kwaad van het volk.
20καὶ μετὰ τὸ ὑπνῶσαι αὐτὸν ἐπροφήτευσε καὶ ὑπέδειξε βασιλεῖ τὴν τελευτὴν αὐτοῦ καὶ ἀνύψωσεν ἐκ γῆς τὴν φωνὴν αὐτοῦ ἐν προφητείᾳ ἐξαλεῖψαι ἀνομίαν λαοῦ.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.