Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1En word niet hun vijand in plaats van hun vriend. Verguizing en schande erft de lasteraar, Evenals de slechtaard met dubbele tong.
1ΚΑΙ ἀντὶ φίλου μὴ γίνου ἐχθρός· ὄνομα γὰρ πονηρὸν αἰσχύνην καὶ ὄνειδος κληρονομήσει· οὕτως ὁ ἁμαρτωλὸς ὁ δίγλωσσος.
2Laat u niet door uw hartstocht beheersen, Want hij graast uw kracht af als een stier;
2μὴ ἐπάρῃς σεαυτὸν ἐν βουλῇ ψυχῆς σου, ἵνα μὴ διαρπαγῇ ὡς ταῦρος ἡ ψυχή σου·
3Hij vreet uw blad, rukt af uw vruchten, En laat u achter als een dorre boom.
3τὰ φύλλα σου καταφάγεσαι καὶ τοὺς καρπούς σου ἀπολέσεις καὶ ἀφήσεις σεαυτὸν ὡς ξύλον ξηρόν.
4Want onbeheerstheid brengt verderf over wie er aan toegeeft, En verschaft leedvermaak aan den vijand;
4ψυχὴ πονηρὰ ἀπολεῖ τὸν κτησάμενον αὐτὴν καὶ ἐπίχαρμα ἐχθρῶν ποιήσει αὐτόν.
5Maar zachte woorden maken vele vrienden, En vriendelijke lippen worden gaarne gegroet.
5Λάρυγξ γλυκὺς πληθυνεῖ φίλους αὐτοῦ, καὶ γλῶσσα εὔλαλος πληθυνεῖ εὐπροσήγορα.
6Leef met vele mensen op goede voet, Maar uw vertrouweling zij slechts één uit duizend.
6οἱ εἰρηνεύοντές σοι ἔστωσαν πολλοί, οἱ δὲ σύμβουλοί σου εἷς ἀπὸ χιλίων.
7Wint ge een vriend, doe het door beproeving, En stel niet te gauw in hem uw vertrouwen.
7εἰ κτᾶσαι φίλον, ἐν πειρασμῷ κτῆσαι αὐτόν, καὶ μὴ ταχὺ ἐμπιστεύσῃς αὐτῷ·
8Want soms is men vriend, zolang het uitkomt, Maar blijft het niet bij tegenspoed;
8ἔστι γὰρ φίλος ἐν καιρῷ αὐτοῦ καὶ οὐ μὴ παραμείνῃ ἐν ἡμέρᾳ θλίψεώς σου.
9Menig vriend verkeert dan in vijand, En legt de twist tot uw schande uit.
9καὶ ἔστι φίλος μετατιθέμενος εἰς ἔχθραν καὶ μάχην ὀνειδισμοῦ σου ἀποκαλύψει.
10Vriend is hij, als hij uw tafel deelt; Maar men vindt hem niet in tijd van nood.
10καὶ ἔστι φίλος κοινωνὸς τραπεζῶν καὶ οὐ μὴ παραμείνῃ ἐν ἡμέρᾳ θλίψεώς σου.
11Gaat het u goed, hij is het met u eens; Maar gaat het u slecht, hij gaat van u heen.
11καὶ ἐν τοῖς ἀγαθοῖς σου ἔσται ὡς σύ, καὶ ἐπὶ τοὺς οἰκέτας σου παρρησιάσεται·
12Als het ongeluk u treft, keert hij zich van u af, En houdt zich voor u verborgen.
12ἐὰν ταπεινωθῇς, ἔσται κατὰ σοῦ, καὶ ἀπὸ τοῦ προσώπου σου κρυβήσεται.
13Houd u dus ver van uw vijand, Maar wees voorzichtig met uw vrienden.
13ἀπὸ τῶν ἐχθρῶν σου διαχωρίσθητι καὶ ἀπὸ τῶν φίλων σου πρόσεχε.
14Een trouwe vriend is een sterke burcht; Wie er een vindt, ontdekt een vermogen.
14φίλος πιστὸς σκέπη κραταιά, ὁ δὲ εὑρὼν αὐτὸν εὗρε θησαυρόν.
15Voor een trouwen vriend bestaat geen prijs, Zijn waarde is niet te betalen.
15φίλου πιστοῦ οὐκ ἔστιν ἀντάλλαγμα, καὶ οὐκ ἔστι σταθμὸς τῆς καλλονῆς αὐτοῦ.
16Een trouwe vriend is een buidel des levens; Wie God vreest, zal hem bekomen.
16φίλος πιστὸς φάρμακον ζωῆς, καὶ οἱ φοβούμενοι Κύριον εὑρήσουσιν αὐτόν.
17Wie den Heer vreest, is trouw in de vriendschap; Want zoals men zelf is, zo is ook de vriend.
17ὁ φοβούμενος Κύριον εὐθύνει φιλίαν αὐτοῦ, ὅτι κατ᾿ αὐτὸν οὕτως καὶ ὁ πλησίον αὐτοῦ.
18Derde reeks. De wijsheid en onze maatschappelijke plichten. Inleiding. Aansporing tot beoefening der wijsheid. Mijn zoon, streef van uw jeugd af naar tucht, En tot in ouderdom zult ge wijsheid vinden.
18Τέκνον, ἐκ νεότητός σου ἐπίλεξαι παιδείαν, καὶ ἕως πολιῶν εὑρήσεις σοφίαν.
19Nader tot haar als een ploeger en maaier, En wacht dan op haar rijke oogst; Want in haar dienst behoeft ge maar weinig te zwoegen, Om weldra haar vruchten te eten.
19ὡς ὁ ἀροτριῶν καὶ ὁ σπείρων πρόσελθε αὐτῇ καὶ ἀνάμενε τοὺς ἀγαθοὺς καρποὺς αὐτῆς· ἐν γὰρ τῇ ἐργασίᾳ αὐτῆς ὀλίγον κοπιάσεις καὶ ταχὺ φάγεσαι γεννημάτων αὐτῆς.
20Hinderlijk is ze slechts voor den dwaas, En de onverstandige kan haar niet dragen;
20ὡς τραχεῖά ἐστι σφόδρα τοῖς ἀπαιδεύτοις, καὶ οὐκ ἐμμενεῖ ἐν αὐτῇ ἀκάρδιος·
21Zij drukt op hem als een zware steen, Hij zal niet aarzelen, haar af te werpen.
21ὡς λίθος δοκιμασίας ἰσχυρὸς ἔσται ἐπ᾿ αὐτῷ, καὶ οὐ χρονιεῖ ἀπορρῖψαι αὐτήν.
22Want de tucht is, zoals het woord het zegt; Daarom is ze slechts weinigen welkom.
22σοφία γὰρ κατὰ τὸ ὄνομα αὐτῆς ἐστι, καὶ οὐ πολλοῖς ἐστι φανερά.
23Mijn zoon, luister, en aanvaard mijn les; Versmaad mijn raadgeving niet.
23ἄκουσον, τέκνον, καὶ δέξαι γνώμην μου, καὶ μὴ ἀπαναίνου τὴν συμβουλίαν μου.
24Steek uw voeten in haar boeien, En uw hals in haar gareel;
24καὶ εἰσένεγκον τοὺς πόδας σου εἰς τὰς πέδας αὐτῆς καὶ εἰς τὸν κλοιὸν αὐτῆς τὸν τράχηλόν σου.
25Zet uw schouder er onder en draag ze, En laat haar banden u niet verdrieten.
25ὑπόθες τὸν ὦμόν σου καὶ βάσταξον αὐτήν, καὶ μὴ προσοχθίσῃς τοῖς δεσμοῖς αὐτῆς.
26Nader tot haar met heel uw ziel, En houd haar wegen met al uw kracht.
26ἐν πάσῃ ψυχῇ σου πρόσελθε αὐτῇ καὶ ἐν ὅλῃ δυνάμει σου συντήρησον τὰς ὁδοὺς αὐτῆς.
27Vraag en vors; zoek en ge zult vinden; En hebt ge haar vast, laat ze niet weer los.
27ἐξίχνευσον καὶ ζήτησον, καὶ γνωσθήσεταί σοι, καὶ ἐγκρατὴς γενόμενος μὴ ἀφῇς αὐτήν·
28Want tenslotte vindt ge er rust, En wordt zij voor u een genot.
28ἐπ᾿ ἐσχάτων γὰρ εὑρήσεις τὴν ἀνάπαυσιν αὐτῆς, καὶ στραφήσεταί σοι εἰς εὐφροσύνην.
29Haar net wordt u dan een sterke burcht, En haar boeien een kleed van brokaat;
29καὶ ἔσονταί σοι αἱ πέδαι εἰς σκέπην ἰσχύος καὶ οἱ κλοιοὶ αὐτῆς εἰς στολὴν δόξης.
30Haar juk wordt een sieraad van goud, Haar banden purperen snoeren.
30κόσμος γὰρ χρύσεός ἐστιν ἐπ᾿ αὐτῆς, καὶ οἱ δεσμοὶ αὐτῆς κλῶσμα ὑακίνθινον·
31Dan trekt zij u een feestkleed aan, En siert u met een heerlijke kroon.
31στολὴν δόξης ἐνδύσῃ αὐτήν, καὶ στέφανον ἀγαλλιάσεως περιθήσεις σεαυτῷ.
32Mijn zoon, als ge er lust in hebt, wordt ge wijs, En verstandig, als ge uw hart er op zet;
32ἐὰν θέλῃς, τέκνον, παιδευθήσῃ, καὶ ἐὰν δῷς τὴν ψυχήν σου, πανοῦργος ἔσῃ.
33Als ge komt om te luisteren En uw oor open zet, wordt ge wijs.
33ἐὰν ἀγαπήσῃς ἀκούειν, ἐκδέξῃ, καὶ ἐὰν κλίνῃς τὸ οὖς σου, σοφὸς ἔσῃ.
no verse 34 in this text
34ἐν πλήθει πρεσβυτέρων στῆθι, καὶ τίς σοφός, αὐτῷ προσκολλήθητι.
35Luister dus graag naar iedere onderrichting, En laat geen wijze spreuk u ontgaan.
35πᾶσαν διήγησιν θείαν θέλε ἀκροᾶσθαι, καὶ παροιμίαι συνέσεως μὴ ἐκφευγέτωσάν σε.
36Zie wie er wijs is, en ga dien bezoeken; Uw voet verslijte zijn drempel.
36ἐὰν ἴδῃς συνετόν, ὄρθριζε πρὸς αὐτόν, καὶ βαθμοὺς θυρῶν αὐτοῦ ἐκτριβέτω ὁ πούς σου.
37Uw gedachte blijve bij de vreze des Allerhoogsten, En uw peinzen bij zijn geboden; Dan zal Hij uw hart verstandig maken En u wijsheid geven, zoveel ge begeert.
37διανοοῦ ἐν τοῖς προστάγμασι Κυρίου καὶ ἐν ταῖς ἐντολαῖς αὐτοῦ μελέτα διὰ παντός· αὐτὸς στηριεῖ τὴν καρδίαν σου, καὶ ἡ ἐπιθυμία τῆς σοφίας σου δοθήσεταί σοι.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.