Jezussirach 39
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Geheel anders is hij, die zijn geest er op richt, Om de Wet van den Allerhoogste te begrijpen: Die de wijsheid van alle ouden doorvorst, En zich bezighoudt met de profetieën;
1ΠΛΗΝ τοῦ ἐπιδόντος τὴν ψυχὴν αὐτοῦ καὶ διανοουμένου ἐν νόμῳ Ὑψίστου, σοφίαν πάντων ἀρχαίων ἐκζητήσει καὶ ἐν προφητείαις ἀσχοληθήσεται.
2Die vasthoudt, wat beroemde mannen hebben geleerd, En tracht door te dringen in spreuken en strofen;
2διηγήσεις ἀνδρῶν ὀνομαστῶν συντηρήσει καὶ ἐν στροφαῖς παραβολῶν συνεισελεύσεται.
3Die duistere gelijkenissen achterhaalt, En zich bezighoudt met raadselachtige spreuken.
3ἀπόκρυφα παροιμιῶν ἐκζητήσει καὶ ἐν αἰνίγμασι παραβολῶν ἀναστραφήσεται.
4Temidden der groten verricht hij zijn dienst, En durft voor den vorst te verschijnen; Door het land van vreemde volken trekt hij rond, Want hij beproeft goed en kwaad bij de mensen.
4ἀνὰ μέσον μεγιστάνων ὑπηρετήσει καὶ ἔναντι ἡγουμένου ὀφθήσεται· ἐν γῇ ἀλλοτρίων ἐθνῶν διελεύσεται, ἀγαθὰ γὰρ καὶ κακὰ ἐν ἀνθρώποις ἐπείρασε.
5Hij staat er op, vroeg te verschijnen voor zijn Schepper en Heer, Om voor het aanschijn van den Allerhoogste te bidden; Hij opent zijn mond tot gebed, En vraagt om vergeving van zijn zonden.
5τὴν καρδίαν αὐτοῦ ἐπιδώσει ὀρθρίσαι πρὸς Κύριον τὸν ποιήσαντα αὐτὸν καὶ ἔναντι Ὑψίστου δεηθήσεται· καὶ ἀνοίξει τὸ στόμα αὐτοῦ ἐν προσευχῇ καὶ περὶ τῶν ἁμαρτιῶν αὐτοῦ δεηθήσεται.
6Zo het den oppersten Heer behaagt, Zal Hij hem vervullen met de geest van verstand; Dan zal hij woorden van wijsheid doen stromen, En Jahweh loven in zijn gebed.
6ἐὰν Κύριος ὁ μέγας θελήσῃ, πνεύματι συνέσεως ἐμπλησθήσεται· αὐτὸς ἀνομβρήσει ρήματα σοφίας αὐτοῦ, καὶ ἐν προσευχῇ ἐξομολογήσεται Κυρίῳ.
7Hij zal Gods wil en beleid verstaan, En zijn geheimenissen overwegen,
7αὐτὸς κατευθυνεῖ βουλὴν αὐτοῦ καὶ ἐπιστήμην καὶ ἐν τοῖς ἀποκρύφοις αὐτοῦ διανοηθήσεται·
8De tucht van zijn leer onderrichten, En roemen op de Wet van Jahweh's verbond.
8αὐτὸς ἐκφανεῖ παιδείαν διδασκαλίας αὐτοῦ καὶ ἐν νόμῳ διαθήκης Κυρίου καυχήσεται.
9Velen zullen zijn wijsheid prijzen, En nimmer wordt zij vergeten; Zijn gedachtenis zal nooit vergaan, Want zijn naam blijft leven van geslacht tot geslacht.
9αἰνέσουσι τὴν σύνεσιν αὐτοῦ πολλοί, ἕως τοῦ αἰῶνος οὐκ ἐξαλειφθήσεται· οὐκ ἀποστήσεται τὸ μνημόσυνον αὐτοῦ, καὶ ὄνομα αὐτοῦ ζήσεται εἰς γενεὰς γενεῶν.
10De volkeren zullen zijn wijsheid roemen, En de gemeente zal zijn lof verkonden;
10τὴν σοφίαν αὐτοῦ διηγήσονται ἔθνη, καὶ τὸν ἔπαινον αὐτοῦ ἐξαγγελεῖ ἐκκλησία.
11Zolang hij leeft, wordt hij boven duizend geprezen, En gaat hij te ruste, dan nog meer.
11ἐὰν ἐμμείνῃ, ὄνομα καταλείψει ἢ χίλιοι, καὶ ἐὰν ἀναπαύσηται, ἐμποιήσει αὐτῷ.
12Zevende reeks. De wijsheid en de wederwaardigheden des levens. Inleiding. Lofzang op gods wijze leiding. Nog eenmaal wil ik mijn gedachten uiten; Want vol ben ik als de volle maan!
12Ἔτι διανοηθεὶς ἐκδιηγήσομαι καὶ ὡς διχομηνία ἐπληρώθην.
13Luistert naar mij, gij vrome zonen, dan schiet gij loten Als een roos, die opbloeit aan een beek op het veld;
13εἰσακούσατέ μου, υἱοὶ ὅσιοι, καὶ βλαστήσατε ὡς ρόδον φυόμενον ἐπὶ ρεύματος ὑγροῦ
14Dan verspreidt gij goede geur als wierook, En laat bloemen ontluiken als een lelie. Verheft uw stem en zingt een lied; Looft den Heer om al zijn werken.
14καὶ ὡς λίβανος εὐωδιάσατε ὀσμὴν καὶ ἀνθήσατε ἄνθος ὡς κρίνον, διάδοτε ὀσμὴν καὶ αἰνέσατε ᾆσμα. εὐλογήσατε Κύριον ἐπὶ πᾶσι τοῖς ἔργοις,
15Geeft glorie aan zijn Naam, En prijst Hem met een jubellied, Met harpgezang en citerspel; En zo moet gij uw loflied zingen:
15δότε τῷ ὀνόματι αὐτοῦ μεγαλωσύνην καὶ ἐξομολογήσασθε ἐν αἰνέσει αὐτοῦ, ἐν ᾠδαῖς χειλέων καὶ ἐν κινύραις καὶ οὕτως ἐρεῖτε ἐν ἐξομολογήσει·
16De werken Gods zijn alle goed; Al wat nodig is, geeft Hij in overvloed op zijn tijd.
16Τὰ ἔργα Κυρίου πάντα ὅτι καλὰ σφόδρα, καὶ πᾶν πρόσταγμα ἐν καιρῷ αὐτοῦ ἔσται· οὐκ ἔστιν εἰπεῖν· τί τοῦτο; εἰς τί τοῦτο;
17Door zijn woord stelt Hij de wateren als een muur, Of door het bevel van zijn mond in zijn voorraadskamer
17πάντα γὰρ ἐν καιρῷ αὐτοῦ ζητηθήσεται. ἐν λόγῳ αὐτοῦ ἔστη ὡς θημωνία ὕδωρ, καὶ ἐν ρήματι στόματος αὐτοῦ ἀποδοχεῖα ὑδάτων.
18Wat Hem behaagt, komt ook tot stand, Geen hindernis is er, als Hij helpt.
18ἐν προστάγματι αὐτοῦ πᾶσα ἡ εὐδοκία, καὶ οὐκ ἔστιν ὃς ἐλαττώσει τὸ σωτήριον αὐτοῦ.
19Het doen van iedere mens ligt voor Hem open, Niets blijft verborgen voor zijn oog;
19ἔργα πάσης σαρκὸς ἐνώπιον αὐτοῦ, καὶ οὐκ ἔστι κρυβῆναι ἀπὸ τῶν ὀφθαλμῶν αὐτοῦ.
20Hij blikt van eeuwigheid tot eeuwigheid, Geen grenzen zijn er voor zijn heil. Niets is Hem klein of gering, Maar ook niets wonderlijk of te zwaar.
20ἀπὸ τοῦ αἰῶνος εἰς τὸν αἰῶνα ἐπέβλεψε, καὶ οὐθέν ἐστι θαυμάσιον ἐναντίον αὐτοῦ.
21Men moet dus niet zeggen: Waarom dit of dat? Want alles werd voor zijn doel bestemd. Niet zeggen: Dit is slechter dan dat; Want op zijn tijd is alles voortreffelijk.
21οὐκ ἔστιν εἰπεῖν· τί τοῦτο; εἰς τί τοῦτο; πάντα γὰρ εἰς χρείας αὐτῶν ἔκτισται.
22Hij doet zijn zegen stromen als de Nijl, En verkwikt de aarde als de Eufraat.
22ἡ εὐλογία αὐτοῦ ὡς ποταμὸς ἐπεκάλυψε, καὶ ὡς κατακλυσμὸς ξηρὰν ἐμέθυσεν.
23Maar zijn toorn verdrijft de volken, Zoals Hij de gouwen veranderde in zout.
23οὕτως ὀργὴν αὐτοῦ ἔθνη κληρονομήσει, ὡς μετέστρεψεν ὕδατα εἰς ἅλμην.
24Voor de gerechten zijn zijn paden effen, Maar onbegaanbaar voor de slechten;
24αἱ ὁδοὶ αὐτοῦ τοῖς ὁσίοις εὐθεῖαι, οὕτως τοῖς ἀνόμοις προσκόμματα.
25Goed schonk Hij aan de goeden van de aanvang af, Maar voor de kwaden maakte Hij goed tot kwaad.
25ἀγαθὰ τοῖς ἀγαθοῖς ἔκτισται ἀπ᾿ ἀρχῆς, οὕτως τοῖς ἁμαρτωλοῖς κακά.
26De eerste behoefte voor 's mensen leven Zijn water en vuur, ijzer en zout, Het meel van de tarwe, melk en honing, Het sap van de druif, met olie en kleding.
26ἀρχὴ πάσης χρείας εἰς ζωὴν ἀνθρώπου, ὕδωρ, πῦρ, καὶ σίδηρος καὶ ἅλας καὶ σεμίδαλις πυροῦ καὶ μέλι καὶ γάλα, αἷμα σταφυλῆς καὶ ἔλαιον καὶ ἱμάτιον.
27Goed is dit alles voor de goeden, Maar voor de slechten wordt het slecht.
27ταῦτα πάντα τοῖς εὐσεβέσιν εἰς ἀγαθά, οὕτως τοῖς ἁμαρτωλοῖς τραπήσεται εἰς κακά.
28Er zijn winden, die tot straf zijn geschapen, En de bergen doen schudden, als ze razen; Die op de dag van gramschap hun kracht laten zien, En de toorn van hun Schepper bedaren.
28ἔστι πνεύματα, ἃ εἰς ἐκδίκησιν ἔκτισται καὶ ἐν θυμῷ αὐτοῦ ἐστερέωσαν μάστιγας αὐτῶν· ἐν καιρῷ συντελείας ἰσχὺν ἐκχεοῦσι καὶ τὸν θυμὸν τοῦ ποιήσαντος αὐτοὺς κοπάσουσι.
29Vuur en hagel, honger en pest, Ook die zijn geschapen als straf.
29πῦρ καὶ χάλαζα καὶ λιμὸς καὶ θάνατος, πάντα ταῦτα εἰς ἐκδίκησιν ἔκτισται·
30Verscheurende dieren, schorpioenen en adders Zijn een wrekend zwaard, om de slechten te doden;
30θηρίων ὀδόντες καὶ σκορπίοι καὶ ἔχεις καὶ ρομφαία ἐκδικοῦσα εἰς ὄλεθρον ἀσεβεῖς·
31Zij allen werden met bedoeling geschapen, In zijn schuren bewaard, op hun tijd ontboden. Als Hij ze gebiedt, jubelen ze het uit; Worden ze geroepen, zijn bevelen weerstreven ze niet.
31ἐν τῇ ἐντολῇ αὐτοῦ εὐφρανθήσονται καὶ ἐπὶ τῆς γῆς εἰς χρείας ἑτοιμασθήσονται καὶ ἐν τοῖς καιροῖς αὐτῶν οὐ παραβήσονται λόγον.
32Daarom was ik er van de aanvang van overtuigd, Begreep het en legde het schriftelijk vast:
32διὰ τοῦτο ἐξ ἀρχῆς ἐστηρίχθην καὶ διενοήθην καὶ ἐν γραφῇ ἀφῆκα·
33De werken Gods zijn alle goed, Al wat nodig is, geeft Hij in overvloed op zijn tijd!
33τὰ ἔργα Κυρίου πάντα ἀγαθὰ καὶ πᾶσαν χρείαν ἐν ὥρᾳ αὐτῆς χορηγήσει.
34Zeg dus niet: Dit is slechter dan dat; Want op zijn tijd is alles voortreffelijk.
34καὶ οὐκ ἔστιν εἰπεῖν· τοῦτο τούτου πονηρότερον, πάντα γὰρ ἐν καιρῷ εὐδοκιμηθήσεται.
35Juicht daarom met heel uw hart En zegent de Naam van den Heilige!
35καὶ νῦν ἐν πάσῃ καρδίᾳ καὶ στόματι ὑμνήσατε καὶ εὐλογήσατε τὸ ὄνομα Κυρίου.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.