Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Mijn zoon, spot niet met het leven van den arme, En laat de ogen van den bedrukte niet versmachten.
1ΤΕΚΝΟΝ, τὴν ζωὴν τοῦ πτωχοῦ μὴ ἀποστερήσῃς καὶ μὴ παρελκύσῃς ὀφθαλμοὺς ἐπιδεεῖς.
2Stel een hongerig mens niet teleur, En verberg u niet voor een gebroken hart.
2ψυχὴν πεινῶσαν μὴ λυπήσῃς καὶ μὴ παροργίσῃς ἄνδρα ἐν ἀπορίᾳ αὐτοῦ.
3Verbitter het gemoed van den arme niet, En wil hem uw gave niet weigeren.
3καρδίαν παρωργισμένην μὴ προσταράξῃς καὶ μὴ παρελκύσῃς δόσιν προσδεομένου.
4Veracht de bede van den arme niet,
4ἱκέτην θλιβόμενον μὴ ἀπαναίνου καὶ μὴ ἀποστρέψῃς τὸ πρόσωπόν σου ἀπὸ πτωχοῦ.
5Geef hem geen aanleiding, om u te vloeken;
5ἀπὸ δεομένου μὴ ἀποστρέψῃς ὀφθαλμὸν καὶ μὴ δῷς τόπον ἀνθρώπῳ καταράσασθαί σε·
6Want als de bedroefde roept in zijn zielesmart, Dan hoort zijn Schepper naar zijn schreien.
6καταρωμένου γάρ σε ἐν πικρίᾳ ψυχῆς αὐτοῦ, τῆς δεήσεως αὐτοῦ ἐπακούσεται ὁ ποιήσας αὐτόν.
7Maak u bemind bij de gemeente, En buig uw hoofd voor de groten der stad;
7προσφιλῇ συναγωγῇ σεαυτὸν ποίει καὶ μεγιστᾶνι ταπείνου τὴν κεφαλήν σου.
8Maar neig ook uw oor tot den arme, En beantwoord vriendelijk zijn groet.
8κλῖνον πτωχῷ τὸ οὖς σου καὶ ἀποκρίθητι αὐτῷ εἰρηνικὰ ἐν πραυ±τητι.
9Help den bedrukte tegen zijn verdrukkers; Wees niet bang, om rechtvaardig vonnis te vellen.
9ἐξελοῦ ἀδικούμενον ἐκ χειρὸς ἀδικοῦντος καὶ μὴ ὀλιγοψυχήσῃς ἐν τῷ κρίνειν σε.
10Wees voor de wezen als een vader, Voor de weduwen als een man; God noemt u dan zijn zoon En redt u in zijn liefde van het verderf.
10γίνου ὀρφανοῖς ὡς πατὴρ καὶ ἀντὶ ἀνδρὸς τῇ μητρὶ αὐτῶν· καὶ ἔσῃ ὡς υἱὸς Ὑψίστου, καὶ ἀγαπήσει σε μᾶλλον ἢ μήτηρ σου.
11Tweede reeks. De wijsheid en de gevaren, die ons bedreigen. Inleiding. De zegeningen der wijsheid. De wijsheid onderricht haar kinderen, En waarschuwt allen, die haar zoeken.
11Ἡ σοφία υἱοὺς αὐτῆς ἀνύψωσε καὶ ἐπιλαμβάνεται τῶν ζητούντων αὐτήν.
12Wie haar beminnen, beminnen het leven, En die haar zoeken, vinden welbehagen bij God.
12ὁ ἀγαπῶν αὐτὴν ἀγαπᾷ ζωήν, καὶ οἱ ὀρθρίζοντες πρὸς αὐτὴν ἐμπλησθήσονται εὐφροσύνης.
13Wie haar vasthouden, vinden glorie bij Jahweh, En wonen in de zegen van God;
13ὁ κρατῶν αὐτῆς κληρονομήσει δόξαν, καὶ οὗ εἰσπορεύεται, εὐλογήσει Κύριος.
14Wie haar dienen, dienen den Heilige, Wie haar beminnen, worden door God bemind.
14οἱ λατρεύοντες αὐτῇ λειτουργήσουσιν ἁγίῳ, καὶ τοὺς ἀγαπῶντας αὐτὴν ἀγαπᾷ ὁ Κύριος.
15Wie naar mij luistert, oordeelt rechtvaardig, Wie naar mij hoort, zal wonen in mijn huis;
15ὁ ὑπακούων αὐτῆς κρινεῖ ἔθνη, καὶ ὁ προσέχων αὐτῇ κατασκηνώσει πεποιθώς.
16Wie mij vertrouwt, zal mij beërven, En zijn geslacht zal mij blijven bezitten.
16ἐὰν ἐμπιστεύσῃ, κατακληρονομήσει αὐτήν, καὶ ἐν κατασχέσει ἔσονται αἱ γενεαὶ αὐτοῦ·
17Want omzichtig ga ik met hem om, En stel hem in het begin op de proef; Vrees en angst slinger ik op hem neer, En toets hem eerst door beproeving. Maar als zijn hart van mij is vervuld,
17ὅτι διεστραμμένως πορεύεται μετ᾿ αὐτοῦ ἐν πρώτοις, φόβον δὲ καὶ δειλίαν ἐπάξει ἐπ᾿ αὐτὸν καὶ βασανίσει αὐτὸν ἐν παιδείᾳ αὐτῆς, ἕως οὗ ἐμπιστεύσῃ τῇ ψυχῇ αὐτοῦ, καὶ πειράσῃ αὐτὸν ἐν τοῖς δικαιώμασιν αὐτῆς.
18Maak ik hem gelukkig, en ontsluier hem mijn geheimen.
18καὶ πάλιν ἐπανήξει κατ᾿ εὐθεῖαν πρὸς αὐτὸν καὶ εὐφρανεῖ αὐτὸν καὶ ἀποκαλύψει αὐτῷ τὰ κρυπτὰ αὐτῆς.
19Doch valt hij van mij af, dan verwerp ik hem, En lever hem over aan verdelgers.
19ἐὰν ἀποπλανηθῇ, ἐγκαταλείψει αὐτὸν καὶ παραδώσει αὐτὸν εἰς χεῖρας πτώσεως αὐτοῦ.
20Mijn zoon, benut de tijd en vrees het kwaad; Dan behoeft ge u niet over uzelf te schamen.
20Συντήρησον καιρὸν καὶ φύλαξαι ἀπὸ πονηροῦ καὶ περὶ τῆς ψυχῆς σου μὴ αἰσχυνθῇς·
21Want er is een schaamte, die tot zonde voert, Maar ook een schaamte, die eer brengt en genade.
21ἔστι γὰρ αἰσχύνη ἐπάγουσα ἁμαρτίαν, καὶ ἔστιν αἰσχύνη δόξα καὶ χάρις.
22Wees niet toegevend voor uzelf; Dan komt ge niet ten val tot eigen verderf.
22μὴ λάβῃς πρόσωπον κατὰ τῆς ψυχῆς σου καὶ μὴ ἐντραπῇς εἰς πτῶσίν σου.
23Houd op zijn tijd het woord niet achter, En uw wijsheid niet verborgen;
23μὴ κωλύσῃς λόγον ἐν καιρῷ σωτηρίας·
24Want in het spreken leert men de wijsheid kennen, Het inzicht in het antwoord van de tong.
24ἐν γὰρ λόγῳ γνωσθήσεται σοφία καὶ παιδεία ἐν ρήματι γλώσσης.
25Strijd niet tegen de waarheid, Erken met schaamte uw ongelijk.
25μὴ ἀντίλεγε τῇ ἀληθείᾳ καὶ περὶ τῆς ἀπαιδευσίας σου ἐντράπηθι.
26Schaam u niet, terug te keren van het kwaad, En roei niet op tegen de stroom.
26μὴ αἰσχυνθῇς ὁμολογῆσαι ἐφ᾿ ἁμαρτίαις σου καὶ μὴ βιάζου ροῦν ποταμοῦ.
27Onderwerp u niet aan een dwaas, Maar verzet u niet tegen de overheid.
27καὶ μὴ ὑποστρώσῃς σεαυτὸν ἀνθρώπῳ μωρῷ καὶ μὴ λάβῃς πρόσωπον δυνάστου.
28Strijd voor de deugd tot aan de dood, En Jahweh zal strijden voor u.
28ἕως τοῦ θανάτου ἀγώνισαι περὶ τῆς ἀληθείας, καὶ Κύριος ὁ Θεὸς πολεμήσει ὑπὲρ σοῦ.
29Wees geen zwetser met de tong, En slap en traag in uw daden;
29μὴ γίνου ταχὺς ἐν γλώσσῃ σου καὶ νωθρὸς καὶ παρειμένος ἐν τοῖς ἔργοις σου.
30Wees thuis niet als een leeuw, En schuw en bang voor uw knechten.
30μὴ ἴσθι ὡς λέων ἐν τῷ οἴκῳ σου καὶ φαντασιοκοπῶν ἐν τοῖς οἰκέταις σου.
31Uw hand zij niet open om te krijgen, En gesloten, als ze moet geven.
31μὴ ἔστω ἡ χείρ σου ἐκτεταμένη εἰς τὸ λαβεῖν καὶ ἐν τῷ ἀποδιδόναι συνεσταλμένη.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.