Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Is Sjimon, de zoon van Onias, de hogepriester! In zijn dagen werd de tempel hersteld, Het heiligdom in die tijd versterkt;
1ΣΙΜΩΝ Ὀνίου υἱὸς ἱερεὺς ὁ μέγας, ὃς ἐν ζωῇ αὐτοῦ ὑπέρραψεν οἶκον καὶ ἐν ἡμέραις αὐτοῦ ἐστερέωσε τὸν ναόν·
2In zijn dagen werd de muur herbouwd, De torens van het heiligdom bij het koninklijk paleis.
2καὶ ὑπ᾿ αὐτοῦ ἐθεμελιώθη ὕψος διπλῆς, ἀνάλημμα ὑψηλὸν περιβόλου ἱεροῦ·
3In zijn tijd werd de vijver gegraven, Een bekken als een bruisende zee;
3ἐν ἡμέραις αὐτοῦ ἠλαττώθη ἀποδοχεῖον ὑδάτων, λάκκος ὡσεὶ θαλάσσης τὸ περίμετρον·
4Hij verdedigde zijn volk tegen den rover, En versterkte zijn stad tegen den vijand.
4ὁ φροντίζων τοῦ λαοῦ αὐτοῦ ἀπὸ πτώσεως καὶ ἐνισχύσας πόλιν ἐν πολιορκήσει.
5Hoe heerlijk was hij, als hij uit het tabernakel schouwde, En naar buiten trad achter het voorhangsel uit:
5ὡς ἐδοξάσθη ἐν περιστροφῇ λαοῦ, ἐν ἐξόδῳ οἴκου καταπετάσματος·
6Als een ster, die tussen de wolken straalt, Als de volle maan in de dagen van Pasen!
6ὡς ἀστὴρ ἑωθινὸς ἐν μέσῳ νεφελῶν, ὡς σελήνη πλήρης ἐν ἡμέραις,
7Als een zon, die straalt over het paleis van een vorst, Als een regenboog, die tussen de wolken verschijnt;
7ὡς ἥλιος ἐκλάμπων ἐπὶ ναὸν Ὑψίστου καὶ ὡς τόξον φωτίζον ἐν νεφέλαις δόξης,
8Als een bloeiende twijg in zomerdagen, Als een lelie bij de waterbeken. Als het gewas van de Libanon in de tijd van de oogst,
8ὡς ἄνθος ρόδων ἐν ἡμέραις νέων, ὡς κρίνα ἐπ᾿ ἐξόδῳ ὕδατος, ὡς βλαστὸς λιβάνου ἐν ἡμέραις θέρους,
9Als brandende wierook op de offerpan; Als gouden vaatwerk, van gedegen goud, Met kostbare stenen bezet.
9ὡς πῦρ καὶ λίβανος ἐπὶ πυρίου, ὡς σκεῦος χρυσίου ὁλοσφύρητον κεκοσμημένον παντὶ λίθῳ πολυτελεῖ,
10Als een groene olijf, beladen met vruchten, Als een wilde olijf, met welige takken:
10ὡς ἐλαία ἀναθάλλουσα καρποὺς καὶ ὡς κυπάρισσος ὑψουμένη ἐν νεφέλαις.
11Wanneer hij zich met het heerlijk gewaad had omhangen, En in zijn volle pracht was gekleed. Wanneer hij het grote altaar besteeg, Sierde hij de heilige omloop er van;
11ἐν τῷ ἀναλαμβάνειν αὐτὸν στολὴν δόξης καὶ ἐνδιδύσκεσθαι αὐτὸν συντέλειαν καυχήματος, ἐν ἀναβάσει θυσιαστηρίου ἁγίου ἐδόξασε περιβολὴν ἁγιάσματος·
12Dan nam hij de offers uit de hand van zijn broeders, Terwijl hij op de offerhaard stond. Een krans van zonen stond om hem heen, Als jonge ceders op de Libanon: Zij omringden hem als wilgen rond het water,
12ἐν δὲ τῷ δέχεσθαι μέλη ἐκ χειρῶν ἱερέων, καὶ αὐτὸς ἑστὼς παρ᾿ ἐσχάρᾳ βωμοῦ κυκλόθεν αὐτοῦ στέφανος ἀδελφῶν, ὡς βλάστημα κέδρου ἐν τῷ Λιβάνῳ· καὶ ἐκύκλωσαν αὐτὸν ὡς στελέχη φοινίκων·
13Al de zonen van Aäron in hun plechtig gewaad. Zij hielden Jahweh's offers in hun handen, Voor heel de gemeente van Israël;
13καὶ πάντες οἱ υἱοὶ Ἀαρὼν ἐν δόξῃ αὐτῶν καὶ προσφορὰ Κυρίου ἐν χερσὶν αὐτῶν ἔναντι πάσης ἐκκλησίας Ἰσραήλ·
14Totdat hij de dienst aan het altaar had voleind, En het offer aan den Allerhoogste gebracht.
14καὶ συντέλειαν λειτουργῶν ἐπὶ βωμῶν κοσμῆσαι προσφορὰν Ὑψίστου παντοκράτορος·
15Dan strekte hij de hand naar het plengoffer uit, En plengde het bloed van de druif; Hij goot het uit aan de voet van het altaar, Als een welriekende geur voor den Allerhoogste.
15ἐξέτεινεν ἐπὶ σπονδείου χεῖρα αὐτοῦ καὶ ἔσπεισεν ἐξ αἵματος σταφυλῆς, ἐξέχεεν εἰς θεμέλια θυσιαστηρίου ὀσμὴν εὐωδίας Ὑψίστῳ παμβασιλεῖ.
16Dan staken de zonen van Aäron, de priesters, De geslagen trompetten van koper; Zij bliezen en schalden met machtig geluid, Tot herinnering voor den Allerhoogste.
16τότε ἀνέκραγον υἱοὶ Ἀαρών, ἐν σάλπιγξιν ἐλαταῖς ἤχησαν, ἀκουστὴν ἐποίησαν φωνὴν μεγάλην εἰς μνημόσυνον ἔναντι Ὑψίστου.
17Dan viel ijlings al het volk gezamenlijk neer Met het aangezicht op de grond, Om aan den Allerhoogste aanbidding te brengen, Aan den Heilige van Israël.
17τότε πᾶς ὁ λαὸς κοινῇ κατέσπευσε καὶ ἔπεσαν ἐπὶ πρόσωπον ἐπὶ τὴν γῆν προσκυνῆσαι τῷ Κυρίῳ αὐτῶν παντοκράτορι Θεῷ τῷ Ὑψίστῳ·
18Dan liet het koor zijn stem weerklinken, En boven de menigte zijn zangen weerschallen;
18καὶ ᾔνεσαν οἱ ψαλμῳδοὶ ἐν φωναῖς αὐτῶν, ἐν πλείστῳ οἴκῳ ἐγλυκάνθη μέλος.
19En al het volk juichte mee, Biddend voor het aanschijn van den Barmhartige. Wanneer hij dan de dienst aan het altaar had voleind, En aan God had gebracht, wat Hem toekomt,
19καὶ ἐδεήθη ὁ λαὸς Κυρίου Ὑψίστου ἐν προσευχῇ κατέναντι ἐλεήμονος, ἕως συντελεσθῇ κόσμος Κυρίου, καὶ τὴν λειτουργίαν αὐτοῦ ἐτελείωσαν.
20Dan daalde hij af, en strekte zijn handen Over heel de gemeente van Israël uit. Dan was de zegen van Jahweh op zijn lippen, En tooide hij zich met Jahweh's Naam;
20τότε καταβὰς ἐπῇρε χεῖρας αὐτοῦ ἐπὶ πᾶσαν ἐκκλησίαν υἱῶν Ἰσραὴλ δοῦναι εὐλογίαν Κυρίῳ ἐκ χειλέων αὐτοῦ καὶ ἐν ὀνόματι αὐτοῦ καυχᾶσθαι.
21En wederom vielen allen neder, Om de zegen van hem te ontvangen.
21καὶ ἐδευτέρωσεν ἐν προσκυνήσει ἐπιδείξασθαι τὴν εὐλογίαν παρὰ Ὑψίστου.
22Zegent dan Jahweh, Israëls God, Die wonderen wrocht op de aarde; Die den mens doet opgroeien van de moederschoot af, En met hem doet naar zijn welbehagen.
22Καὶ νῦν εὐλογήσατε τῷ Θεῷ πάντων τῷ μεγαλοποιοῦντι πάντη, τὸν ὑψοῦντα ἡμέρας ἡμῶν ἐκ μήτρας καὶ ποιοῦντα μεθ᾿ ἡμῶν κατὰ τὸ ἔλεος αὐτοῦ.
23Hij geve u wijsheid des harten En vrede zij in uw dagen!
23δῴῃ ἡμῖν εὐφροσύνην καρδίας καὶ γενέσθαι εἰρήνην ἐν ἡμέραις ἡμῶν ἐν Ἰσραὴλ κατὰ τὰς ἡμέρας τοῦ αἰῶνος·
24Zijn liefde blijve aan Sjimon behouden; Hij bevestige voor hem het verbond met Pinechas, Dat Hij sloot met hem en zijn geslacht, Zolang de hemel bestaat.
24ἐμπιστεύσαι μεθ᾿ ἡμῶν τὸ ἔλεος αὐτοῦ καὶ ἐν ταῖς ἡμέραις αὐτοῦ λυτρωσάσθω ἡμᾶς.
25Maar twee volkeren worden door mij gehaat, En het derde volk telt niet mee:
25Ἐν δυσὶν ἔθνεσι προσώχθισεν ἡ ψυχή μου, καὶ τὸ τρίτον οὐκ ἔστιν ἔθνος.
26De bewoners van Seïr en de Filistijnen, En het dwaze volk, dat in Sikem woont.
26οἱ καθήμενοι ἐν ὄρει Σαμαρείας καὶ Φυλιστιεὶμ καὶ ὁ λαὸς μωρὸς ὁ κατοικῶν ἐν Σικίμοις.
27Onderricht, wijsheid en passende spreuken, Van Jesus, den zoon van Elazar, zoon van Sirach: Die uit zijn hart uitleg deed stromen En inzicht liet ontspringen als een bron.
27Παιδείαν συνέσεως καὶ ἐπιστήμης ἐχάραξα ἐν τῷ βιβλίῳ τούτῳ, Ἰησοῦς υἱὸς Σειρὰχ Ἱεροσολυμίτης, ὃς ἀνώμβρησε σοφίαν ἀπὸ καρδίας αὐτοῦ.
28Gelukkig de man, die ze overdenkt; Want wie ze ter harte neemt, wordt wijs.
28μακάριος ὃς ἐν τούτοις ἀναστραφήσεται, καὶ θεὶς αὐτὰ ἐπὶ καρδίαν αὐτοῦ σοφισθήσεται·
29Wie ze volbrengt, is tot alles bekwaam; Want de vreze des Heren is zijn richtsnoer.
29ἐὰν γὰρ αὐτὰ ποιήσῃ, πρὸς πάντα ἰσχύσει, ὅτι φῶς Κυρίου τὸ ἴχνος αὐτοῦ.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.