Jezussirach 50
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Is Sjimon, de zoon van Onias, de hogepriester! In zijn dagen werd de tempel hersteld, Het heiligdom in die tijd versterkt;
1Foi Simão, filho de Onias, o sumo sacerdote, quem durante sua vida reparou a casa e em seus dias fortaleceu o templo.
2In zijn dagen werd de muur herbouwd, De torens van het heiligdom bij het koninklijk paleis.
2Por ele foi construído o fundamento até a altura das muralhas duplas, os altos muros de contenção do recinto do templo.
3In zijn tijd werd de vijver gegraven, Een bekken als een bruisende zee;
3Em seus dias foi escavado um reservatório de água, um tanque de bronze de circunferência semelhante à do mar.
4Hij verdedigde zijn volk tegen den rover, En versterkte zijn stad tegen den vijand.
4Ele planejou salvar seu povo da ruína e fortificou a cidade contra o cerco.
5Hoe heerlijk was hij, als hij uit het tabernakel schouwde, En naar buiten trad achter het voorhangsel uit:
5Como era glorioso quando o povo se reunia ao seu redor, quando ele saía da casa do véu!
6Als een ster, die tussen de wolken straalt, Als de volle maan in de dagen van Pasen!
6Era como a estrela da manhã entre as nuvens, como a lua cheia,
7Als een zon, die straalt over het paleis van een vorst, Als een regenboog, die tussen de wolken verschijnt;
7como o sol brilhando sobre o templo do Altíssimo, como o arco-íris resplandecendo em nuvens de glória,
8Als een bloeiende twijg in zomerdagen, Als een lelie bij de waterbeken. Als het gewas van de Libanon in de tijd van de oogst,
8como rosas nos dias das primícias, como lírios junto a uma fonte de água, como um broto da árvore de incenso no verão,
9Als brandende wierook op de offerpan; Als gouden vaatwerk, van gedegen goud, Met kostbare stenen bezet.
9como fogo e incenso no incensário, como um vaso de ouro batido adornado com todo tipo de pedras preciosas,
10Als een groene olijf, beladen met vruchten, Als een wilde olijf, met welige takken:
10como uma oliveira carregada de frutos e como um cipreste que cresce alto entre as nuvens.
11Wanneer hij zich met het heerlijk gewaad had omhangen, En in zijn volle pracht was gekleed. Wanneer hij het grote altaar besteeg, Sierde hij de heilige omloop er van;
11Quando vestia sua roupa gloriosa e se revestia de esplendor perfeito, subindo ao santo altar, tornava glorioso o pátio do santuário.
12Dan nam hij de offers uit de hand van zijn broeders, Terwijl hij op de offerhaard stond. Een krans van zonen stond om hem heen, Als jonge ceders op de Libanon: Zij omringden hem als wilgen rond het water,
12Quando recebia as porções das mãos dos sacerdotes, permanecendo junto ao fogo do altar, com seus irmãos ao redor como uma coroa, era como um jovem cedro no Líbano cercado por troncos de palmeiras.
13Al de zonen van Aäron in hun plechtig gewaad. Zij hielden Jahweh's offers in hun handen, Voor heel de gemeente van Israël;
13Todos os filhos de Arão, em sua glória, seguravam nas mãos a oferta do Senhor diante de toda a assembleia de Israel.
14Totdat hij de dienst aan het altaar had voleind, En het offer aan den Allerhoogste gebracht.
14Ao terminar o serviço nos altares, para organizar a oferta do Altíssimo, o Todo-Poderoso,
15Dan strekte hij de hand naar het plengoffer uit, En plengde het bloed van de druif; Hij goot het uit aan de voet van het altaar, Als een welriekende geur voor den Allerhoogste.
15ele estendia a mão para o cálice da libação e derramava o vinho do cálice. Derramava-o ao pé do altar, como aroma agradável ao Altíssimo, Rei de todos.
16Dan staken de zonen van Aäron, de priesters, De geslagen trompetten van koper; Zij bliezen en schalden met machtig geluid, Tot herinnering voor den Allerhoogste.
16Então os filhos de Arão gritavam e tocavam as trombetas de metal batido. Faziam soar um grande toque, como memorial diante do Altíssimo.
17Dan viel ijlings al het volk gezamenlijk neer Met het aangezicht op de grond, Om aan den Allerhoogste aanbidding te brengen, Aan den Heilige van Israël.
17Então todo o povo, ao mesmo tempo, se apressava e se prostrava com o rosto em terra para adorar seu Senhor, o Todo-Poderoso, Deus Altíssimo.
18Dan liet het koor zijn stem weerklinken, En boven de menigte zijn zangen weerschallen;
18Os cantores também o louvavam com suas vozes, e uma doce melodia enchia toda a casa.
19En al het volk juichte mee, Biddend voor het aanschijn van den Barmhartige. Wanneer hij dan de dienst aan het altaar had voleind, En aan God had gebracht, wat Hem toekomt,
19O povo suplicava ao Senhor Altíssimo em oração diante daquele que é misericordioso, até terminar o culto ao Senhor e concluírem seu serviço.
20Dan daalde hij af, en strekte zijn handen Over heel de gemeente van Israël uit. Dan was de zegen van Jahweh op zijn lippen, En tooide hij zich met Jahweh's Naam;
20Então ele descia e levantava as mãos sobre toda a assembleia dos filhos de Israel, para pronunciar com seus lábios a bênção do Senhor e gloriar-se em seu nome.
21En wederom vielen allen neder, Om de zegen van hem te ontvangen.
21Prostrava-se em adoração pela segunda vez para proclamar a bênção vinda do Altíssimo.
22Zegent dan Jahweh, Israëls God, Die wonderen wrocht op de aarde; Die den mens doet opgroeien van de moederschoot af, En met hem doet naar zijn welbehagen.
22Agora, bendigam o Deus de todos, que em toda parte realiza grandes coisas, que exalta nossos dias desde o ventre e nos trata segundo sua misericórdia.
23Hij geve u wijsheid des harten En vrede zij in uw dagen!
23Que ele nos conceda alegria de coração e que haja paz em nossos dias em Israel por todos os dias da eternidade,
24Zijn liefde blijve aan Sjimon behouden; Hij bevestige voor hem het verbond met Pinechas, Dat Hij sloot met hem en zijn geslacht, Zolang de hemel bestaat.
24confirmando conosco sua misericórdia e livrando-nos no tempo certo.
25Maar twee volkeren worden door mij gehaat, En het derde volk telt niet mee:
25Duas nações irritam minha alma, e a terceira nem sequer é uma nação:
26De bewoners van Seïr en de Filistijnen, En het dwaze volk, dat in Sikem woont.
26os que habitam na montanha de Samaria, os filisteus e o povo insensato que vive em Siquém.
27Onderricht, wijsheid en passende spreuken, Van Jesus, den zoon van Elazar, zoon van Sirach: Die uit zijn hart uitleg deed stromen En inzicht liet ontspringen als een bron.
27Escrevi neste livro a instrução do entendimento e do conhecimento, eu, Jesus, filho de Sirac Eleazar, de Jerusalém, que de seu coração derramou sabedoria.
28Gelukkig de man, die ze overdenkt; Want wie ze ter harte neemt, wordt wijs.
28Feliz é aquele que praticar essas coisas; quem as guardar no coração se tornará sábio.
29Wie ze volbrengt, is tot alles bekwaam; Want de vreze des Heren is zijn richtsnoer.
29Pois, se as praticar, será forte em todas as coisas, porque a luz do Senhor é seu guia.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.