Titus 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Paulus, dienaar van God en apostel van Jesus Christus, -terwille van het geloof van Gods uitverkorenen en de kennis der waarheid, die in vroomheid wortelt,
1Paulo, servo de Deus e apóstolo de Jesus Cristo, conforme a fé dos eleitos de Deus e o conhecimento da verdade que está de acordo com a piedade,
2terwille ook van de hoop op het eeuwige leven, dat de waarachtige God vóór eeuwige tijden heeft beloofd,
2na esperança da vida eterna, a qual Deus, que não pode mentir, prometeu antes do início dos tempos;
3en te zijner tijd als zijn woord heeft geopenbaard door de prediking, die mij is toevertrouwd door beschikking van God onzen Zaligmaker:
3mas no seu devido tempo revelou a sua palavra na mensagem que me foi confiada segundo o mandamento de Deus, nosso Salvador,
4aan Titus, zijn rechtgeaard kind in gemeenschappelijk geloof: Genade en vrede van God den Vader, en van Christus Jesus onzen Verlosser.
4a Tito, meu verdadeiro filho segundo a fé comum: Graça, misericórdia e paz da parte de Deus Pai e do Senhor Jesus Cristo, nosso Salvador.
5Ik heb u op Kreta achtergelaten, opdat ge zoudt voltooien wat nog onafgedaan bleef, en in iedere stad priesters zoudt benoemen, naar de eisen welke ik u heb vastgesteld:
5Eu o deixei em Creta por este motivo, para que você pusesse em ordem as coisas que faltavam e constituísse presbíteros em cada cidade, como eu lhe ordenei—
6namelijk slechts iemand, die onberispelijk is, die slechts éénmaal is gehuwd en gelovige kinderen heeft, welke niet van losbandigheid en weerspannigheid worden beschuldigd.
6se alguém é irrepreensível, marido de uma só mulher, tendo filhos crentes, que não sejam acusados de devassidão nem de insubordinação.
7Want een bisschop moet onberispelijk zijn als huishouder Gods; niet verwaand, niet driftig, geen drinker, geen vechter, niet uit op winstbejag;
7Pois o bispo deve ser irrepreensível, como administrador de Deus, não arrogante, não propenso à ira, não dado ao vinho, não violento, não ganancioso por lucro desonesto;
8maar gastvrij, deugdzaam, bezonnen, rechtvaardig, vroom en matig;
8mas hospitaleiro, amigo do bem, sóbrio, justo, santo, com domínio próprio,
9hij moet zich houden aan de prediking, die strookt met de ware leer, opdat hij met gezonde onderrichting vermanen kan en de tegensprekers weerleggen.
9apegando-se à palavra fiel que está de acordo com o ensino, para que seja capaz de exortar na sã doutrina e de convencer os que o contradizem.
10Want er zijn veel weerspannigen, holle praters en verleiders, heel in het bijzonder onder de besnedenen.
10Pois há também muitos homens insubordinados, faladores fúteis e enganadores, especialmente os da circuncisão.
11Ge moet hun de mond stoppen; anders zetten ze ganse gezinnen overhoop, door onbehoorlijke dingen te leren uit winstbejag.
11É preciso calar a boca deles, pois transtornam famílias inteiras, ensinando o que não devem, por ganância de lucro desonesto.
12Een hunner, hun eigen profeet, zegt: “Kretenzen zijn altijd leugenaars, boos vee, vadsige buiken,”
12Um deles, seu próprio profeta, disse: “Os cretenses são sempre mentirosos, feras malignas e glutões preguiçosos.”
13en deze getuigenis is waar; daarom moet ge ze streng aanpakken, opdat ze gezond worden in het geloof,
13Este testemunho é verdadeiro. Por esse motivo, repreenda-os severamente, para que sejam sadios na fé,
14en zich niet afgeven met joodse fabels en inzettingen van mensen, die de waarheid de rug toekeren.
14não dando ouvidos a fábulas judaicas e a mandamentos de homens que se desviam da verdade.
15Alles is rein voor de reinen; maar voor den onreine en ongelovige is niets rein, doch bij hem is bevlekt èn verstand èn geweten.
15Para os puros, todas as coisas são puras, mas para os contaminados e incrédulos, nada é puro; pelo contrário, tanto a sua mente quanto a sua consciência estão contaminadas.
16Ze geven voor, God te kennen, maar ze verloochenen Hem door hun gedrag; want ze zijn verfoeilijk, weerspannig en voor geen enkel goed werk geschikt.
16Eles professam conhecer a Deus, mas o negam por suas obras; são abomináveis, desobedientes e incapazes de praticar qualquer boa obra.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.