2 Timoteus 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Ik bezweer u bij God, en bij Christus Jesus, die levenden en doden zal oordelen, en bij zijn Verschijning en zijn Rijk:
1Eu lhe ordeno, portanto, diante de Deus e do Senhor Jesus Cristo, que julgará os vivos e os mortos na sua manifestação e no seu Reino:
2Verkondig het woord; treed op, welkom of niet; weerleg, berisp en vermaan in alle lankmoedigheid en met alle soort van lering.
2pregue a palavra; insista, seja o momento oportuno ou não; repreenda, censure e exorte com toda a paciência e ensino.
3Want er komt een tijd, dat men de gezonde leer niet verdraagt, maar zich een massa leraars bijeenraapt naar eigen smaak; dat men zich de oren laat strelen,
3Pois virá o tempo em que não darão ouvidos à sã doutrina, mas, com coceira nos ouvidos, amontoarão para si mesmos mestres segundo as suas próprias paixões,
4maar ze afkeert van de waarheid, om zich te houden aan fabels.
4e desviarão os ouvidos da verdade, voltando-se para as fábulas.
5Gij daarentegen, wees nuchter bij alles, wees lijdzaam; volbreng de taak van Evangelist, vervul uw ambt ten volle.
5Mas você, seja sóbrio em todas as coisas, suporte as aflições, faça a obra de um evangelista e cumpra o seu ministério.
6Zie, ikzelf word reeds als drankoffer geplengd, en de tijd van mijn verscheiden is nabij.
6Pois eu já estou sendo oferecido, e o tempo da minha partida chegou.
7De goede strijd heb ik gestreden, de wedloop volbracht, het geloof bewaard.
7Combati o bom combate. Terminei a corrida. Guardei a fé.
8Van nu af ligt voor mij de kroon der gerechtigheid gereed, die de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij schenken zal op die Dag. —En niet alleen aan mij, maar ook aan allen, die zijn verschijnen hebben liefgehad.
8Desde agora, a coroa da justiça me está guardada, a qual o Senhor, o justo juiz, me dará naquele dia; e não somente a mim, mas também a todos os que amaram a sua manifestação.
9Doe uw best, om spoedig bij me te komen.
9Procure vir a mim em breve,
10Want Demas, die deze wereld heeft liefgekregen, heeft me verlaten, en is naar Tessalonika vertrokken; Crescens naar Galátië, Titus naar Dalmátië.
10pois Demas me abandonou, tendo amado este mundo presente, e foi para Tessalônica; Crescente para a Galácia; e Tito para a Dalmácia.
11Alleen Lukas is bij me gebleven. Haal Markus op, en breng hem met u mee; want hij komt mij goed van pas bij het werk.
11Somente Lucas está comigo. Tome Marcos e traga-o com você, pois ele me é útil para o serviço.
12Túchicus heb ik naar Éfese gezonden.
12Mas enviei Tíquico a Éfeso.
13Wanneer ge komt, breng dan de mantel mee, die ik in Troas bij Carpus heb achtergelaten; ook de boeken en vooral de perkamenten.
13Quando você vier, traga a capa que deixei em Trôade com Carpo — e os livros, especialmente os pergaminhos.
14Alexander, de edelsmid, heeft me veel kwaad gedaan; de Heer zal hem vergelden naar werken;
14Alexandre, o latoeiro, me fez muito mal. O Senhor lhe retribuirá segundo as suas obras.
15en ook gij moet u voor hem wachten. Zeer heftig toch heeft hij ons pleidooi bestreden.
15Tenha cuidado com ele, pois ele se opôs fortemente às nossas palavras.
16Bij mijn eerste verdediging stond niemand mij ter zijde, maar allen lieten me in de steek; het worde hun niet toegerekend.
16Na minha primeira defesa, ninguém veio me ajudar, mas todos me abandonaram. Que isso não seja levado em conta contra eles.
17Maar de Heer heeft mij ter zijde gestaan en mij kracht verleend, opdat door mij de prediking haar volle maat zou krijgen, en al de heidenen ze zouden horen; zo werd ik verlost uit de muil van den leeuw.
17Mas o Senhor esteve ao meu lado e me fortaleceu, para que por meu intermédio a mensagem fosse plenamente proclamada e todos os gentios a ouvissem. Assim, fui liberto da boca do leão.
18De Heer zal mij verlossen van alle boze aanslagen, en mij behouden voor zijn hemels Rijk: Hem zij de eer in de eeuwen der eeuwen. Amen!
18E o Senhor me livrará de toda obra maligna e me preservará para o seu Reino celestial. A ele seja a glória para todo o sempre. Amém.
19Groet Priska en Aquila en het gezin van Onesiforus. Erastus is in Korinte gebleven;
19Cumprimente Prisca e Áquila e a casa de Onesíforo.
20Trófimus heb ik ziek in Milete achtergelaten.
20Erasto permaneceu em Corinto, mas deixei Trófimo doente em Mileto.
21Doe uw best, nog vóór de winter te komen. Eubulus, Pudens, Linus, Cláudia en alle broeders groeten u.
21Procure vir antes do inverno. Êubulo o saúda, assim como Pudente, Lino, Cláudia e todos os irmãos.
22De Heer zij met uw geest. De genade zij met u allen!
22O Senhor Jesus Cristo seja com o seu espírito. A graça seja com vocês. Amém.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.