Jezussirach 23
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Jahweh, Vader en Heer van mijn leven, Laat niet toe, dat ik door hen bezwijk.
1Ó Senhor, Pai e Mestre de minha vida, não me abandones aos conselhos deles nem permitas que eu caia por causa deles.
2Wie stelt er een tuchtroede bij mijn verstand, En een wijze regel over mijn hart, Opdat ze mijn fouten niet sparen, En mijn zonden niet verdragen.
2Quem colocará açoites sobre meus pensamentos e disciplina de sabedoria sobre meu coração, para que não sejam indulgentes com meus erros nem deixem passar meus pecados?
3Anders zouden mijn misslagen zich verdubbelen, En mijn zonden nog talrijker worden; Zou ik bezwijken voor mijn belagers, En mijn vijand zich over mij verheugen.
3Assim meus erros não se multiplicarão, nem meus pecados aumentarão, nem cairei diante de meus adversários, nem meu inimigo se alegrará por minha causa.
4Jahweh, Vader en God van mijn leven, Laat mij toch niet aan hun willekeur over;
4Ó Senhor, Pai e Deus de minha vida, não me dês olhos arrogantes,
5Laat de hovaardij mijner ogen niet toe, En houd de begeerlijkheid verre van mij;
5e afasta de mim o mau desejo.
6Laat gulzigheid en ontucht mij niet beheersen, En lever mij niet over aan schandelijke hartstocht.
6Que nem a gula nem a luxúria me dominem; não me entregues a uma mente sem vergonha.
7Luistert, kinderen, naar de regels over het spreken; Want wie ze in acht neemt, wordt er niet door gevangen.
7Ouçam, meus filhos, a disciplina da boca; quem a guarda não será apanhado.
8De zondaar laat zich door zijn lippen verstrikken, De lasteraar en trotse komen er door ten val.
8O pecador será vencido por seus próprios lábios; por eles tropeçarão o insultador e o arrogante.
9Gewen uw mond niet aan het zweren; Heb geen gewoonte de heilige Naam te gebruiken.
9Não acostume sua boca a fazer juramentos nem se habitue a pronunciar o nome do Santo;
10Want zoals een slaaf, die steeds ondervraagd wordt, Niet vrij kan blijven van striemen, Zo zal ook wie zweert en altijd Gods naam noemt, Niet vrij kunnen blijven van zonde.
10pois, assim como o servo continuamente açoitado não fica sem marcas, assim também quem vive jurando e pronunciando o Nome não ficará livre de pecado.
11Een man, die veel zweert, is vol zonde; De roede zal niet wijken van zijn huis. Doet hij het lichtvaardig, dan is het al zonde, En houdt hij die eed niet, het is een dubbele zonde; En zweert hij vals, hij blijft niet ongestraft, Want zijn huis zal zich vullen met rampen.
11O homem que faz muitos juramentos ficará cheio de iniquidade, e o açoite não se afastará de sua casa. Se ele ofender, seu pecado estará sobre ele; se o ignorar, pecará duas vezes. Se jurar falsamente, não será justificado, pois sua casa ficará cheia de calamidades.
12Er is nog een spreken, dat gelijk staat met de dood; Mocht het in het erfdeel van Jakob niet worden gevonden! Want van rechtvaardigen blijft dit alles verre; Die wentelen zich niet in de zonde.
12Há um modo de falar revestido de morte; que ele não seja encontrado na herança de Jacó. Pois todas essas coisas estarão longe dos piedosos, e eles não se revolverão em pecados.
13Gewen uw mond niet aan zedeloos vuil; Want in dergelijke taal ligt zonde.
13Não acostume sua boca à grosseria vulgar, pois nela há palavras pecaminosas.
14Denk aan uw vader en uw moeder, Wanneer ge te midden van groten zit, Opdat ge u niet bij hen vergete, En door uw gewoonte u slecht gedraagt. Dan zoudt ge wensen, niet te zijn geboren, En zoudt ge de dag van uw geboorte vervloeken;
14Lembre-se de seu pai e de sua mãe quando estiver sentado entre os grandes, para que, diante deles, você não se esqueça de si mesmo nem se torne insensato por causa de seu mau costume, a ponto de desejar não ter nascido e amaldiçoar o dia de seu nascimento.
15Want een man, die aan liederlijke taal is gewend, Leert het nooit van zijn leven meer af.
15O homem acostumado a palavras ofensivas não será corrigido durante todos os dias de sua vida.
16wee klassen stapelen zonden op, En de derde haalt zich de Toorn op de hals;
16Dois tipos de pessoas multiplicam os pecados, e um terceiro provoca a ira: uma paixão ardente, como fogo em chamas, não se apagará até consumir-se; o homem sexualmente imoral não cessará até que seu fogo se apague.
17Een geile ziel is als een brandend vuur, Dat niet wordt geblust, eer het verslonden heeft. Een mens, die onreinheid begaat met zichzelf, Houdt niet op, vóór het vuur is gedoofd. Een ontuchtig mens smaakt alle brood goed; Hij heeft er nooit genoeg van tot aan zijn dood.
17Todo pão é doce para o homem sexualmente imoral; ele não cessará até morrer.
18Een mens, die de trouw van de echt overtreedt, Denkt bij zichzelf: Wie ziet mij? Duisternis omringt mij, de muren houden mij schuil; Geen mens, die mij ziet; wat heb ik te vrezen? De Allerhoogste gedenkt mijn zonden niet.
18O homem que se desvia de seu próprio leito conjugal diz em seu coração: “Quem me vê? As trevas me cercam, e as paredes me escondem. Ninguém me vê. De quem terei medo? O Altíssimo não se lembrará de meus pecados.”
19Hij is enkel bevreesd voor de ogen der mensen! Hij denkt er niet aan, dat de ogen des Heren Tienduizendmaal helderder zijn dan de zon; Dat zij alle wegen der mensen overschouwen, En de meest verborgen hoeken doorzien.
19O que ele teme são os olhos dos homens, sem saber que os olhos do Senhor são dez mil vezes mais brilhantes que o sol, observando todos os caminhos dos homens e penetrando os lugares secretos.
20Vóór het bestaat is Hem alles bekend, En zeker, nadat het volbracht is.
20Todas as coisas eram conhecidas por ele antes de serem criadas e também depois de terem sido completadas.
21Zo een wordt bestraft op de pleinen der stad, En gegrepen, waar hij het niet had verwacht; Voor iedereen wordt hij tot spot, Omdat hij de vreze des Heren niet kent.
21Esse homem será castigado nas ruas da cidade e será apanhado onde menos espera.
22Zo ook de vrouw, die haar man heeft verlaten, En een erfgenaam van een ander onderschuift!
22Assim também acontece com a mulher que abandona o marido e gera um herdeiro de outro homem.
23Want vooreerst heeft zij de Wet van den Allerhoogste overtreden, Ten tweede misdreven tegen haar man; Ten derde heeft zij in ontucht echtbreuk gepleegd, En kinderen onderschoven uit een anderen man.
23Primeiro, ela desobedeceu à Lei do Altíssimo; segundo, pecou contra o próprio marido; terceiro, cometeu adultério por imoralidade sexual e teve filhos de outro homem.
24Zij zal voor de gemeente worden gebracht, En naar haar kinderen zal men onderzoek doen.
24Ela será levada diante da assembleia, e seu castigo alcançará seus filhos.
25Haar kinderen zullen geen wortel schieten, En haar takken dragen geen vrucht;
25Seus filhos não criarão raízes, e seus ramos não produzirão fruto.
26Haar nagedachtenis zal een vervloeking blijven, Haar schande niet worden uitgewist.
26Ela deixará sua memória como maldição, e sua desonra não será apagada.
27Zo zullen al haar landgenoten erkennen, En die achterblijven het inzien: Dat er niets beter is dan de vreze des Heren, Niets zoeter dan Jahweh's gebod te volbrengen.
27Os que ficarem saberão que não há nada melhor do que o temor do Senhor nem nada mais agradável do que obedecer aos mandamentos do Senhor.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.