Jezussirach 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Gelukkig de mens dus, wiens mond hem niet aanklaagt, En wiens hart geen beschuldiging tegen hem uit;
1Feliz é quem não tropeçou com a boca e não é atormentado pela tristeza dos pecados.
2Gelukkig de mens, wiens geweten geen verwijten doet, Want zijn hoop zal nimmer vergaan!
2Feliz é aquele cuja alma não o condena e que não perdeu a esperança.
3Een gierig mens heeft niets aan rijkdom, En een vrek is met goud niet gebaat.
3Riquezas não combinam com uma pessoa mesquinha. Para que serve dinheiro a um avarento?
4Wie zich zelf te kort doet, spaart voor anderen, En vreemden genieten van zijn goed.
4Quem acumula privando a si mesmo acumula para outros, e outros desfrutarão de seus bens.
5Wie zichzelf niets gunt, is voor niemand goed; Maar ook zelf geniet hij niet van zijn bezit.
5Se alguém é mau para consigo mesmo, para quem será bom? Nem sequer desfrutará de suas posses.
6Wie slecht is voor zichzelf, geen slechter dan hij; Maar hij wordt ook beloond voor zijn slechtheid!
6Não há ninguém pior do que aquele que é mesquinho consigo mesmo. Esta é a recompensa de sua maldade.
7Doet hij soms goed, het is bij vergissing; Want tenslotte komt zijn ondeugd uit.
7Mesmo quando faz o bem, faz isso por descuido; no fim, sua maldade aparece.
8Slecht is de mens met hebzuchtige blik; Hij wendt het gelaat af en bekommert zich om niemand,
8O avarento é mau. Desvia o rosto e despreza as pessoas.
9Het oog van den vrek heeft aan zijn bezit niet genoeg, En het afgunstig oog mergelt hem uit.
9Os olhos do ganancioso não se satisfazem com sua porção, e a injustiça perversa resseca sua alma.
10Het gierig oog ziet uit naar spijzen, Want niets staat er op zijn tafel; Maar een goed mens heeft spijs genoeg, Zelfs uit een droge bron stroomt water op tafel.
10O avarento economiza até o pão, e sua mesa fica vazia.
11Mijn zoon, zo ge wat hebt, doe uzelf dan te goed, En geniet ervan naar vermogen;
11Meu filho, conforme seus recursos, trate bem a si mesmo e apresente ao Senhor ofertas dignas.
12Denk er aan, dat de dood niet draalt, Dat de tijd, die u rest, u niet wordt gemeld.
12Lembre-se de que a morte não esperará e de que a aliança do Hades não lhe foi revelada.
13Voordat ge sterft, doe wel aan uw naaste, Geef hem, zoveel ge maar kunt;
13Antes de morrer, faça o bem aos seus amigos. Conforme suas possibilidades, estenda a mão e dê a eles.
14Maar ontzeg ook uzelf geen gelukkige dag, Laat uw deel van het genot u niet ontsnappen.
14Não prive a si mesmo de um bom dia nem deixe passar sua parte num prazer legítimo.
15Moet ge niet uw bezit aan anderen achterlaten; Zullen zij uw vermogen niet verdelen door het lot?
15Você não deixará seus trabalhos para outro e seus esforços para serem repartidos por sorte?
16Geef dus uw naaste, en vertroetel uzelf, Want in het dodenrijk is geen vreugde meer te vinden;
16Dê, receba e trate bem a si mesmo, pois no Hades não se procuram prazeres.
17Alle vlees wordt oud als een kleed, Want van ouds luidt de wet: Het moet sterven!
17Toda carne envelhece como uma roupa, pois a aliança desde o princípio é: “Você certamente morrerá.”
18Zoals de bloesem ontspruit aan de groene boom, En het ene verwelkt, als het andere ontluikt, Zo ook het geslacht van vlees en bloed: Het ene sterft uit, het andere komt op;
18Como as folhas que florescem numa árvore frondosa, algumas caem e outras nascem, assim são as gerações de carne e sangue: uma chega ao fim e outra nasce.
19Al zijn werken zullen vergaan, Want het werk van zijn handen komt achter hem aan.
19Toda obra se desgasta e desaparece, e aquele que a fez partirá junto com ela.
20Vierde reeks. De wijsheid en de zonde der mensen. Inleiding. De vruchten der wijsheid. Gelukkig de mens, die bedacht is op wijsheid, En naarstig zich toelegt op inzicht;
20Feliz é o homem que medita na sabedoria e raciocina com entendimento.
21Die zijn hart er op zet, haar wegen te kennen, En inzicht te krijgen in haar geheimen;
21Quem considera em seu coração os caminhos dela também conhecerá seus segredos.
22Die haar achtervolgt, als was hij een verspieder, En al haar wegen beloert;
22Vá atrás dela como um caçador e fique à espreita em seus caminhos.
23Die door haar venster naar binnen gluurt, En luistervink speelt aan haar deur;
23Quem olha pelas janelas dela também escutará junto às suas portas.
24Die rond haar huis zijn verblijfplaats zoekt, En zijn tentpin in haar muren drijft;
24Quem se hospeda perto da casa dela também fixará uma estaca em suas paredes.
25Die aan haar zijde zijn tent opslaat, En daar een goede woning vindt;
25Armará sua tenda bem perto dela e se hospedará num lugar onde há coisas boas.
26Die zijn nest in haar lover bouwt, En op haar takken verpoost;
26Colocará seus filhos debaixo da proteção dela e descansará sob seus ramos.
27Die in haar schaduw zich tegen de hitte beschut, En een schuilhoek vindt om te wonen.
27Por meio dela será protegido do calor e habitará em sua glória.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.