Jezussirach 37
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Iedere vriend zegt: Ik ben uw vriend; Maar sommigen zijn enkel vrienden in naam.
1ΠΑΣ φίλος ἐρεῖ· ἐφιλίασα αὐτῷ κἀγώ, ἀλλ᾿ ἔστι φίλος ὀνόματι μόνον φίλος.
2Is het niet jammer als de dood, Zo een boezemvriend uw vijand wordt?
2οὐχὶ λύπη ἔνι ἕως θανάτου ἑταῖρος καὶ φίλος τρεπόμενος εἰς ἔχθραν;
3Wee den slechten vriend! Waartoe werd hij geschapen? Om de aarde te vullen met valsheid.
3ὦ πονηρὸν ἐνθύμημα, πόθεν ἐνεκυλίσθης καλύψαι τὴν ξηρὰν ἐν δολιότητι;
4Een slechte vriend ziet naar de dis, En in tijd van nood blijft hij weg.
4ἑταῖρος φίλου ἐν εὐφροσύνῃ ἥδεται καὶ ἐν καιρῷ θλίψεως ἔσται ἀπέναντι·
5Een goede vriend strijdt mee tegen den vijand, En grijpt het schild tegen den tegenstander.
5ἑταῖρος φίλῳ συμπονεῖ χάριν γαστρός, ἔναντι πολέμου λήψεται ἀσπίδα.
6Vergeet dus uw makker niet in de strijd, En laat hem niet in de steek bij uw buit.
6μὴ ἐπιλάθῃ φίλου ἐν τῇ ψυχῇ σου, καὶ μὴ ἀμνημονήσῃς αὐτοῦ ἐν τοῖς χρήμασί σου.
7Iedere raadgever wijst met de hand, Maar sommigen raden in eigen belang.
7Πᾶς σύμβουλος ἐξαίρει βουλήν, ἀλλ᾿ ἔστι συμβουλεύων εἰς ἑαυτόν.
8Neem u dus voor een raadsman in acht, En onderzoek van tevoren zijn bedoeling. Want hij denkt ook aan zichzelf; Waarom zou hij er schade door lijden?
8ἀπὸ συμβούλου φύλαξον τὴν ψυχήν σου καὶ γνῶθι πρότερον τίς αὐτοῦ χρεία καὶ γὰρ αὐτὸς ἑαυτῷ βουλεύσεται , μήποτε βάλῃ ἐπὶ σοὶ κλῆρον
9Hij zegt wel. op uw belangen te letten, Maar feitelijk let hij op uw bezit.
9καὶ εἴπῃ σοι· καλὴ ἡ ὁδός σου, καὶ στήσεται ἐξ ἐναντίας ἰδεῖν τὸ συμβησόμενόν σοι.
10Ga niet te rade bij wie u benijdt, En verberg uw plan voor wie jaloers op u is.
10μὴ βουλεύου μετὰ τοῦ ὑποβλεπομένου σε καὶ ἀπὸ τῶν ζηλούντων σε κρύψον βουλήν.
11Raadpleeg geen vrouw over haar mededingster, Geen lafaard over krijg; Geen koopman over zaken, Geen koper over waren; Geen slecht mens over liefdediensten, Geen hardvochtige over barmhartigheid; Geen luiaard over werken, Geen achteloos wachter over ontdekken van onraad.
11μετὰ γυναικὸς περὶ τῆς ἀντιζήλου αὐτῆς καὶ μετὰ δειλοῦ περὶ πολέμου, μετὰ ἐμπόρου περὶ μεταβολίας καὶ μετὰ ἀγοράζοντος περὶ πράσεως, μετὰ βασκάνου περὶ εὐχαριστίας καὶ μετὰ ἀνελεήμονος περὶ χρηστοηθείας, μετὰ ὀκνηροῦ περὶ παντὸς ἔργου καὶ μετὰ μισθίου ἐφεστίου περὶ συντελείας, οἰκέτῃ ἀργῷ περὶ πολλῆς ἐργασίας, μὴ ἔπεχε ἐπὶ τούτοις περὶ πάσης συμβουλίας·
12Maar raadpleeg steeds den godvrezende, Van wien ge weet, dat hij de Wet onderhoudt; Die in zijn hart één met u is, En medelijden heeft, als ge valt.
12ἀλλ᾿ ἢ μετὰ ἀνδρὸς εὐσεβοῦς ἐνδελέχιζε, ὃν ἂν ἐπιγνῷς συντηροῦντα ἐντολάς, ὃς ἐν τῇ ψυχῇ αὐτοῦ κατὰ τὴν ψυχήν σου, καὶ ἐὰν πταίσῃς, συναλγήσει σοι.
13Maar let ook op de raad van uw eigen hart; Want wie is u trouwer dan dit?
13καὶ βουλὴν καρδίας στῆσον, οὐ γάρ ἔστι σοι πιστότερος αὐτῆς·
14's Mensen hart zegt hem beter de waarheid, Dan zeven wachters op een post.
14ψυχὴ γὰρ ἀνδρὸς ἀπαγγέλλειν ἐνίοτε εἴωθεν ἢ ἑπτὰ σκοποὶ ἐπὶ μετεώρου καθήμενοι ἐπὶ σκοπῆς.
15En bid bij dit alles ook tot God, Dat Hij uw schreden richt in de waarheid.
15καὶ ἐπὶ πᾶσι τούτοις δεήθητι Ὑψίστου, ἵνα εὐθύνῃ ἐν ἀληθείᾳ τὴν ὁδόν σου.
16Het begin van iedere daad is het woord; Vóór iedere handeling komt de gedachte.
16Ἀρχὴ παντὸς ἔργου λόγος, καὶ πρὸ πάσης πράξεως βουλή.
17De wortel van alle plannen is het hart; Vier loten spruiten er uit voort:
17ἴχνος ἀλλοιώσεως καρδίας τέσσαρα μέρη ἀνατέλλει,
18Goed en kwaad, dood en leven, Maar de tong is ze allen de baas.
18ἀγαθὸν καὶ κακόν, ζωὴ καὶ θάνατος, καὶ ἡ κυριεύουσα ἐνδελεχῶς αὐτῶν γλῶσσά ἐστιν.
19Er zijn wijzen, die wijs zijn voor anderen, Maar dwaas voor zichzelf;
19ἔστιν ἀνὴρ πανοῦργος πολλῶν παιδευτής, καὶ τῇ ἰδίᾳ ψυχῇ ἄχρηστός ἐστιν.
20Er zijn wijzen, die om hun woorden gehaat zijn, En zich van alle geneugten beroven.
20ἔστι σοφιζόμενος ἐν λόγοις μισητός, οὗτος πάσης τροφῆς καθυστερήσει·
no verse 21 in this text
21οὐ γὰρ ἐδόθη αὐτῷ παρὰ Κυρίου χάρις, ὅτι πάσης σοφίας ἐστερήθη.
22Sommige wijzen zijn wijs voor zichzelf, En genieten zelf de vrucht van hun wijsheid;
22ἔστι σοφὸς τῇ ἰδίᾳ ψυχῇ, καὶ οἱ καρποὶ τῆς συνέσεως αὐτοῦ ἐπὶ στόματος πιστοί.
23Anderen echter zijn wijs voor hun volk, De vrucht van hun wijsheid komt allen ten goede.
23ἀνὴρ σοφὸς τὸν ἑαυτοῦ λαὸν παιδεύσει, καὶ οἱ καρποὶ τῆς συνέσεως αὐτοῦ πιστοί.
24Wie wijs is voor zichzelf, wordt met geneugten verzadigd, En allen die hem zien, prijzen hem gelukkig;
24ἀνὴρ σοφὸς πλησθήσεται εὐλογίας, καὶ μακαριοῦσιν αὐτὸν πάντες οἱ ὁρῶντες.
no verse 25 in this text
25ζωὴ ἀνδρὸς ἐν ἀριθμῷ ἡμερῶν, καὶ αἱ ἡμέραι τοῦ Ἰσραὴλ ἀναρίθμητοι.
26Maar wie wijs is voor zijn volk, zal eer beërven, En zijn naam blijft leven voor eeuwig.
26ὁ σοφὸς ἐν τῷ λαῷ αὐτοῦ κληρονομήσει πίστιν, καὶ τὸ ὄνομα αὐτοῦ ζήσεται εἰς τὸν αἰῶνα.
27Mijn zoon, beproef uzelf in uw leven, Zie wat slecht voor u is, en neem het niet;
27Τέκνον, ἐν τῇ ζωῇ σου πείρασον τὴν ψυχήν σου καὶ ἰδὲ τί πονηρὸν αὐτῇ, καὶ μὴ δῷς αὐτῇ·
28Want niet alles is goed voor iedereen, Niet iedere spijs verkieslijk voor allen.
28οὐ γὰρ πάντα πᾶσι συμφέρει, καὶ οὐ πᾶσα ψυχὴ ἐν παντὶ εὐδοκεῖ.
29Wees nooit overdadig bij genot, Niet onmatig bij lekkere spijzen;
29μὴ ἀπληστεύου ἐν πάσῃ τρυφῇ καὶ μὴ ἐκχυθῇς ἐπὶ ἐδεσμάτων·
30Want in veel eten nestelt de ziekte, En van onmatigheid komt braken.
30ἐν πολλοῖς γὰρ βρώμασιν ἔσται πόνος, καὶ ἡ ἀπληστία ἐγγιεῖ ἕως χολέρας.
31Velen vinden door slempen de dood; Maar wie zich in acht neemt, verlengt zijn leven.
31δι᾿ ἀπληστίαν πολλοὶ ἐτελεύτησαν, ὁ δὲ προσέχων προσθήσει ζωήν.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.