Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
1Wie zint op wraak, vindt wraak bij God; Deze rekent hem zeker zijn zonden toe.
1Ο ΕΚΔΙΚΩΝ παρὰ Κυρίου εὑρήσει ἐκδίκησιν, καὶ τὰς ἁμαρτίας αὐτοῦ διατηρῶν διατηρήσει.
2Vergeef dus uw naaste het onrecht, Dan worden op uw bede ook uw zonden vergeven.
2ἄφες ἀδίκημα τῷ πλησίον σου, καὶ τότε δεηθέντος σου αἱ ἁμαρτίαι σου λυθήσονται.
3De ene mens koestert toorn tegen den ander; Toch verwacht hij genezing van God.
3ἄνθρωπος ἀνθρώπῳ συντηρεῖ ὀργήν, καὶ παρὰ Κυρίου ζητεῖ ἴασιν;
4Voor een mens, zijns gelijke, heeft hij geen erbarming; Toch bidt hij om vergiffenis van zonden!
4ἐπ᾿ ἄνθρωπον ὅμοιον αὐτῷ οὐκ ἔχει ἔλεος, καὶ περὶ τῶν ἁμαρτιῶν αὐτοῦ δεῖται;
5Ofschoon ook hij vlees is, koestert hij wrok; Wie zal hem dan vergiffenis van zonden verwerven?
5αὐτὸς σὰρξ ὢν διατηρεῖ μῆνιν, τίς ἐξιλάσεται τὰς ἁμαρτίας αὐτοῦ;
6Denk aan de uitersten en houd op met uw vijandschap, Aan ontbinding en dood, en onderhoud de geboden;
6μνήσθητι τὰ ἔσχατα καὶ παῦσαι ἐχθραίνων, καταφθορὰν καὶ θάνατον, καὶ ἔμμενε ἐντολαῖς.
7Denk aan de geboden en wrok niet tegen uw naaste, Aan het verbond van den Allerhoogste en vergeef zijn fout.
7μνήσθητι ἐντολῶν καὶ μὴ μηνίσῃς τῷ πλησίον, καὶ διαθήκην Ὑψίστου καὶ πάριδε ἄγνοιαν.
8Wacht u voor twist, en ge vermindert uw zonden; Want een toornig mens doet de strijd ontbranden.
8ἀπόσχου ἀπὸ μάχης, καὶ ἐλαττώσεις ἁμαρτίας· ἄνθρωπος γὰρ θυμώδης ἐκκαύσει μάχην,
9Een goddeloze zaait tweedracht zelfs tussen vrienden, En sticht vijandschap onder hen, die in vrede leven.
9καὶ ἀνὴρ ἁμαρτωλὸς ταράξει φίλους καὶ ἀνὰ μέσον εἰρηνευόντων ἐμβάλλει διαβολήν.
10Naar gelang het hout is, brandt het vuur; Hoe machtiger de mens, hoe feller zijn toorn. Zijn gramschap groeit met zijn rijkdom; En hoe heftiger men is, des te harder de strijd.
10κατὰ τὴν ὕλην τοῦ πυρὸς οὕτως ἐκκαυθήσεται, καὶ κατὰ τὴν ἰσχὺν τοῦ ἀνθρώπου ὁ θυμὸς αὐτοῦ ἔσται, καὶ κατὰ τὸν πλοῦτον ἀνυψώσει ὀργὴν αὐτοῦ, καὶ κατὰ τὴν στερέωσιν τῆς μάχης ἐκκαυθήσεται.
11Hars en pek doen het vuur oplaaien; Onbezonnen strijd loopt op bloedvergieten uit.
11ἔρις κατασπευδομένη ἐκκαίει πῦρ, καὶ μάχη κατασπεύδουσα ἐκχέει αἷμα.
12Als ge een vonk aanblaast, vlamt ze op; Spuwt ge er op, ze dooft uit, al komt het allebei uit één mond.
12ἐὰν φυσήσῃς εἰς σπινθῆρα, ἐκκαήσεται, καὶ ἐὰν πτύσῃς ἐπ᾿ αὐτόν, σβεσθήσεται· καὶ ἀμφότερα ἐκ τοῦ στόματός σου ἐκπορεύεται.
13Vervloekt de lasteraar en de dubbele tong; Want zij hebben velen, die in vrede leefden, ongelukkig gemaakt.
13Ψίθυρον καὶ δίγλωσσον καταράσασθε, πολλοὺς γὰρ εἰρηνεύοντας ἀπώλεσαν.
14De tong van een derde heeft de rust van velen verstoord, En ze opgejaagd van volk tot volk; Versterkte steden heeft ze gesloopt En paleizen van groten verwoest; Ze heeft de macht van volken gebroken, En sterke naties vernield.
14γλῶσσα τρίτη πολλοὺς ἐσάλευσε καὶ διέστησεν αὐτοὺς ἀπὸ ἔθνους εἰς ἔθνος καὶ πόλεις ὀχυρὰς καθεῖλε καὶ οἰκίας μεγιστάνων κατέστρεψε.
15De tong van een derde heeft wakkere vrouwen verdreven, En van de vrucht van haar arbeid beroofd;
15γλῶσσα τρίτη γυναῖκας ἀνδρείας ἐξέβαλε καὶ ἐστέρησεν αὐτὰς τῶν πόνων αὐτῶν.
16Wie er geloof aan slaat, heeft geen rust, Geen vrede meer in zijn huis.
16ὁ προσέχων αὐτῇ οὐ μὴ εὕρῃ ἀνάπαυσιν, οὐδὲ κατασκηνώσει μεθ᾿ ἡσυχίας.
17Een slag met de gesel maakt striemen, Maar een slag van de tong slaat de beenderen stuk;
17πληγὴ μάστιγος ποιεῖ μώλωπας, πληγὴ δὲ γλώσσης συγκλάσει ὀστᾶ.
18Velen zijn gesneuveld door de scherpte van het zwaard, Maar niet zo veel als er door de tong zijn gevallen.
18πολλοὶ ἔπεσαν ἐν στόματι μαχαίρας, καὶ οὐχ ὡς οἱ πεπτωκότες διὰ γλῶσσαν.
19Gelukkig hij, die er voor bleef bewaard En geen prooi werd van haar woede, Die haar juk niet behoefde te slepen En met haar boeien niet werd gebonden.
19μακάριος ὁ σκεπασθεὶς ἀπ᾿ αὐτῆς, ὃς οὐ διῆλθεν ἐν τῷ θυμῷ αὐτῆς, ὃς οὐχ εἵλκυσε τὸν ζυγὸν αὐτῆς καὶ ἐν τοῖς δεσμοῖς αὐτῆς οὐκ ἐδέθη·
20Want haar juk is een ijzeren juk, Haar boeien zijn koperen boeien;
20ὁ γὰρ ζυγὸς αὐτῆς ζυγὸς σιδηροῦς, καὶ οἱ δεσμοὶ αὐτῆς δεσμοὶ χάλκεοι.
21Een vreselijke dood is de dood, die zij toebrengt, En de onderwereld is beter dan zij.
21θάνατος πονηρὸς ὁ θάνατος αὐτῆς, καὶ λυσιτελὴς μᾶλλον ὁ ᾅδης αὐτῆς. 22οὐ μὴ κρατήσει εὐσεβῶν, καὶ ἐν τῇ φλογὶ αὐτῆς οὐ καήσονται.
22Over de rechtvaardigen heeft ze geen macht; Die worden door haar vlam niet gebrand.
no verse 22 in this text
23Maar wie den Heer verlaten, worden haar prooi, In hen vat ze vlam en wordt niet gedoofd; Op hen wordt ze losgelaten als een leeuw, Als een panter zal ze hen verscheuren.
23οἱ καταλείποντες Κύριον ἐμπεσοῦνται εἰς αὐτήν, καὶ ἐν αὐτοῖς ἐκκαήσεται καὶ οὐ μὴ σβεσθῇ· ἐξαποσταλήσεται ἐπ᾿ αὐτοῖς ὡς λέων, καὶ ὡς πάρδαλις λυμανεῖται αὐτούς.
24Zie, uw wijngaard omheint ge met doornen; Stel deur en grendel dan ook aan uw mond!
24ἴδε περίφραξον τὸ κτῆμά σου ἀκάνθαις, τὸ ἀργύριόν σου καὶ τὸ χρυσίον κατάδησον·
25Uw goud en zilver weegt ge zorgvuldig; Maak schaal en gewicht dan ook voor uw mond.
25καὶ τοῖς λόγοις σου ποίησον ζυγὸν καὶ σταθμόν, καὶ τῷ στόματί σου ποίησον θύραν καὶ μοχλόν.
26Zie toe, dat ge niet door haar struikelt, En neervalt voor hem, die op u loert.
26πρόσεχε μήπως ὀλισθήσῃς ἐν αὐτῇ, μὴ πέσῃς κατέναντι ἐνεδρεύοντος.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.