Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Wie zint op wraak, vindt wraak bij God; Deze rekent hem zeker zijn zonden toe.
1[Qui vindicari vult, a Domino inveniet vindictam, et peccata illius servans servabit.
2Vergeef dus uw naaste het onrecht, Dan worden op uw bede ook uw zonden vergeven.
2Relinque proximo tuo nocenti te, et tunc deprecanti tibi peccata solventur.
3De ene mens koestert toorn tegen den ander; Toch verwacht hij genezing van God.
3Homo homini reservat iram, et a Deo quærit medelam:
4Voor een mens, zijns gelijke, heeft hij geen erbarming; Toch bidt hij om vergiffenis van zonden!
4in hominem similem sibi non habet misericordiam, et de peccatis suis deprecatur.
5Ofschoon ook hij vlees is, koestert hij wrok; Wie zal hem dan vergiffenis van zonden verwerven?
5Ipse cum caro sit reservat iram, et propitiationem petit a Deo: quis exorabit pro delictis illius?
6Denk aan de uitersten en houd op met uw vijandschap, Aan ontbinding en dood, en onderhoud de geboden;
6Memento novissimorum, et desine inimicari:
7Denk aan de geboden en wrok niet tegen uw naaste, Aan het verbond van den Allerhoogste en vergeef zijn fout.
7tabitudo enim et mors imminent in mandatis ejus.
8Wacht u voor twist, en ge vermindert uw zonden; Want een toornig mens doet de strijd ontbranden.
8Memorare timorem Dei, et non irascaris proximo.
9Een goddeloze zaait tweedracht zelfs tussen vrienden, En sticht vijandschap onder hen, die in vrede leven.
9Memorare testamentum Altissimi, et despice ignorantiam proximi.
10Naar gelang het hout is, brandt het vuur; Hoe machtiger de mens, hoe feller zijn toorn. Zijn gramschap groeit met zijn rijkdom; En hoe heftiger men is, des te harder de strijd.
10Abstine te a lite, et minues peccata.
11Hars en pek doen het vuur oplaaien; Onbezonnen strijd loopt op bloedvergieten uit.
11Homo enim iracundus incendit litem, et vir peccator turbabit amicos, et in medio pacem habentium immittet inimicitiam.
12Als ge een vonk aanblaast, vlamt ze op; Spuwt ge er op, ze dooft uit, al komt het allebei uit één mond.
12Secundum enim ligna silvæ sic ignis exardescit: et secundum virtutem hominis sic iracundia illius erit, et secundum substantiam suam exaltabit iram suam.
13Vervloekt de lasteraar en de dubbele tong; Want zij hebben velen, die in vrede leefden, ongelukkig gemaakt.
13Certamen festinatum incendit ignem, et lis festinans effundit sanguinem: et lingua testificans adducit mortem.
14De tong van een derde heeft de rust van velen verstoord, En ze opgejaagd van volk tot volk; Versterkte steden heeft ze gesloopt En paleizen van groten verwoest; Ze heeft de macht van volken gebroken, En sterke naties vernield.
14Si sufflaveris in scintillam, quasi ignis exardebit: et si exspueris super illam, extinguetur: utraque ex ore proficiscuntur.]
15De tong van een derde heeft wakkere vrouwen verdreven, En van de vrucht van haar arbeid beroofd;
15[Susurro et bilinguis maledictus, multos enim turbabit pacem habentes.
16Wie er geloof aan slaat, heeft geen rust, Geen vrede meer in zijn huis.
16Lingua tertia multos commovit, et dispersit illos de gente in gentem.
17Een slag met de gesel maakt striemen, Maar een slag van de tong slaat de beenderen stuk;
17Civitates muratas divitum destruxit, et domus magnatorum effodit.
18Velen zijn gesneuveld door de scherpte van het zwaard, Maar niet zo veel als er door de tong zijn gevallen.
18Virtutes populorum concidit, et gentes fortes dissolvit.
19Gelukkig hij, die er voor bleef bewaard En geen prooi werd van haar woede, Die haar juk niet behoefde te slepen En met haar boeien niet werd gebonden.
19Lingua tertia mulieres viratas ejecit, et privavit illas laboribus suis.
20Want haar juk is een ijzeren juk, Haar boeien zijn koperen boeien;
20Qui respicit illam non habebit requiem, nec habebit amicum in quo requiescat.
21Een vreselijke dood is de dood, die zij toebrengt, En de onderwereld is beter dan zij.
21Flagelli plaga livorem facit: plaga autem linguæ comminuet ossa.
22Over de rechtvaardigen heeft ze geen macht; Die worden door haar vlam niet gebrand.
22Multi ceciderunt in ore gladii: sed non sic quasi qui interierunt per linguam suam.
23Maar wie den Heer verlaten, worden haar prooi, In hen vat ze vlam en wordt niet gedoofd; Op hen wordt ze losgelaten als een leeuw, Als een panter zal ze hen verscheuren.
23Beatus qui tectus est a lingua nequam, qui in iracundiam illius non transivit, et qui non attraxit jugum illius, et in vinculis ejus non est ligatus:
24Zie, uw wijngaard omheint ge met doornen; Stel deur en grendel dan ook aan uw mond!
24jugum enim illius jugum ferreum est, et vinculum illius vinculum æreum est;
25Uw goud en zilver weegt ge zorgvuldig; Maak schaal en gewicht dan ook voor uw mond.
25mors illius mors nequissima: et utilis potius infernus quam illa.
26Zie toe, dat ge niet door haar struikelt, En neervalt voor hem, die op u loert.
26Perseverantia illius non permanebit, sed obtinebit vias injustorum, et in flamma sua non comburet justos.
no verse 27 in this text
27Qui relinquunt Deum incident in illam, et exardebit in illis, et non extinguetur, et immittetur in illos quasi leo, et quasi pardus lædet illos.
no verse 28 in this text
28Sepi aures tuas spinis: linguam nequam noli audire: et ori tuo facito ostia et seras.
no verse 29 in this text
29Aurum tuum et argentum tuum confla, et verbis tuis facito stateram, et frenos ori tuo rectos:
no verse 30 in this text
30et attende ne forte labaris in lingua, et cadas in conspectu inimicorum insidiantium tibi, et sit casus tuus insanabilis in mortem.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.