Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1De Heer heeft den mens uit aarde geschapen, Maar Hij voert hem ook tot haar terug;
1[Deus creavit de terra hominem, et secundum imaginem suam fecit illum:
2Hij schonk hun slechts weinige dagen, een vaste tijd, En gaf hun macht over wat er op aarde bestaat.
2et iterum convertit illum in ipsam, et secundum se vestivit illum virtute.
3Naar hun aard heeft Hij hen met macht bekleed, En naar zijn beeld hen geschapen;
3Numerum dierum et tempus dedit illi, et dedit illi potestatem eorum quæ sunt super terram.
4Alle vlees vervulde Hij met ontzag voor den mens, Want Hij maakte hem heer over dieren en vogels.
4Posuit timorem illius super omnem carnem, et dominatus est bestiarum et volatilium.
no verse 5 in this text
5Creavit ex ipso adjutorium simile sibi: consilium, et linguam, et oculos, et aures, et cor dedit illis excogitandi, et disciplina intellectus replevit illos.
6Hij schonk hun een tong, ogen en oren, En gaf hun een hart om te denken;
6Creavit illis scientiam spiritus, sensu implevit cor illorum, et mala et bona ostendit illis.
7Met verstand en kennis vervulde Hij hen, En toonde hun, wat goed is en kwaad.
7Posuit oculum suum super corda illorum, ostendere illis magnalia operum suorum:
8Hij plaatste zijn oog in hun hart, Opdat zij de grootheid zijner werken zouden begrijpen.
8ut nomen sanctificationis collaudent, et gloriari in mirabilibus illius; ut magnalia enarrent operum ejus.
no verse 9 in this text
9Addidit illis disciplinam, et legem vitæ hæreditavit illos.
10Zij zullen de lof verkonden van zijn heilige Naam, Om de grootheid van zijn werken te prijzen.
10Testamentum æternum constituit cum illis, et justitiam et judicia sua ostendit illis.
11Hij gaf hun nog weer nieuwe kennis, Toen Hij hun de wet des levens gaf;
11Et magnalia honoris ejus vidit oculus illorum, et honorem vocis audierunt aures illorum. Et dixit illis: Attendite ab omni iniquo.
12Hij sloot met hen een eeuwig verbond, En openbaarde hun zijn wetten.
12Et mandavit illis unicuique de proximo suo.
13Hun ogen hebben zijn grote glorie aanschouwd, Hun oren zijn heerlijke stem vernomen.
13Viæ illorum coram ipso sunt semper: non sunt absconsæ ab oculis ipsius.
14Hij sprak tot hen: “Wacht u voor alle kwaad”; En gaf iedereen geboden over zijn naaste.
14In unamquamque gentem præposuit rectorem:
15Hun wegen liggen altijd voor Hem open, En zijn niet verborgen voor zijn ogen;
15et pars Dei Israël facta est manifesta.
no verse 16 in this text
16Et omnia opera illorum velut sol in conspectu Dei: et oculi ejus sine intermissione inspicientes in viis eorum.
no verse 17 in this text
17Non sunt absconsa testamenta per iniquitatem illorum, et omnes iniquitates eorum in conspectu Dei.
no verse 18 in this text
18Eleemosyna viri quasi signaculum cum ipso, et gratiam hominis quasi pupillam conservabit.
19Al hun werken staan als de zon voor zijn aanschijn, Want zijn ogen rusten steeds op hun wegen.
19Et postea resurget, et retribuet illis retributionem, unicuique in caput ipsorum, et convertet in interiores partes terræ.
20Hun ongerechtigheden zijn voor Hem niet verborgen; Al hun zonden liggen open voor den Heer.
20Pœnitentibus autem dedit viam justitiæ, et confirmavit deficientes sustinere, et destinavit illis sortem veritatis.]
no verse 21 in this text
21[Convertere ad Dominum, et relinque peccata tua:
22Als een zegelring bewaart Hij de aalmoes der mensen, Iemands weldaad als de appel van het oog;
22precare ante faciem Domini, et minue offendicula.
23Later verheft Hij Zich om het hun te belonen, Of om straf op hun hoofd te doen komen.
23Revertere ad Dominum, et avertere ab injustitia tua, et nimis odito execrationem:
24Toch schenkt Hij bekering aan de boetvaardigen. En moedigt de vertwijfelden aan:
24et cognosce justitias et judicia Dei, et sta in sorte propositionis, et orationis altissimi Dei.
25Keer terug tot den Heer, en verlaat de zonden; Bid voor zijn aanschijn, en verminder het kwaad.
25In partes vade sæculi sancti, cum vivis et dantibus confessionem Deo.
26Bekeer u tot God, wend u af van het onrecht. Haat, zo diep als ge kunt, alle gruwel!'.
26Non demoreris in errore impiorum: ante mortem confitere: a mortuo, quasi nihil, perit confessio.
27Wie zal in het dodenrijk den Allerhoogste loven, Zoals de levenden Hem prijzen?
27Confiteberis vivens, vivus et sanus confiteberis: et laudabis Deum, et gloriaberis in miserationibus illius.
28Een dode is niet meer; hij heeft alle lof gestaakt; De levende en gezonde kunnen Jahweh nog loven.
28Quam magna misericordia Domini, et propitiatio illius convertentibus ad se !
29Hoe groot is Jahweh's ontferming, En zijn erbarming voor die zich tot Hem bekeren!
29Nec enim omnia possunt esse in hominibus, quoniam non est immortalis filius hominis, et in vanitate malitiæ placuerunt.
30Niet alles toch is volmaakt bij de mensen, Daar het mensenkind niet onsterfelijk is.
30Quid lucidius sole? et hic deficiet; aut quid nequius quam quod excogitavit caro et sanguis? et hoc arguetur.
31Wat straalt er meer dan de zon; toch wordt ze verduisterd: En de mens is maar een schepsel van vlees en bloed.
31Virtutem altitudinis cæli ipse conspicit: et omnes homines terra et cinis.]
32Hij overziet het heir aan de hoge hemel, Maar de mensen zijn allen stof en as.
no verse 32 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.