Jezussirach 49
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Josias' naam is als geurige wierook, Met zout gemengd, het werk van den balsembereider; Zijn gedachtenis is zoet als honing in de mond, En als een lied bij een wijngelag.
1[Memoria Josiæ in compositionem odoris facta opus pigmentarii.
2Want hij ontstak in toorn over onze afval, En maakte een eind aan de gruwel der afgoden.
2In omni ore quasi mel indulcabitur ejus memoria, et ut musica in convivio vini.
3Hij richtte zijn hart geheel op God; In zondige tijden beoefende hij de deugd.
3Ipse est directus divinitus in pœnitentiam gentis, et tulit abominationes impietatis.
4Behalve David, Ezekias en Josias, Hebben zij allen gezondigd; Want zij verlieten de Wet van den Allerhoogste, De koningen van Juda, zij allen.
4Et gubernavit ad Dominum cor ipsius, et in diebus peccatorum corroboravit pietatem.]
5Zo gaven zij hun macht aan een ander, En hun glorie aan een vreemd volk,
5[Præter David et Ezechiam et Josiam, omnes peccatum commiserunt:
6Dat de heilige stad in brand stak, En haar straten verlaten liet liggen.
6nam reliquerunt legem Altissimi reges Juda, et contempserunt timorem Dei.
7Het was om Jeremias, dien ze hadden mishandeld, Ofschoon hij van de moederschoot af tot profeet was bestemd, Om neer te werpen, uit te rukken en te verdelgen, Maar ook om te bouwen, te planten en te herstellen.
7Dederunt enim regnum suum aliis, et gloriam suam alienigenæ genti.
8Ezekiël schouwde een visioen, En beschreef de gestalten bij de wagen.
8Incenderunt electam sanctitatis civitatem, et desertas fecerunt vias ipsius in manu Jeremiæ.
9Ook riep hij de herinnering op van Job, Die de wegen der gerechtigheid heeft bewandeld.
9Nam male tractaverunt illum qui a ventre matris consecratus est propheta, evertere, et eruere, et perdere, et iterum ædificare, et renovare:
10Ook de twaalf profeten wil ik prijzen: Moge hun gebeente hun graf ontspruiten; Want zij hebben Jakob genezen En door gelovig vertrouwen gered.
10Ezechiel, qui vidit conspectum gloriæ quam ostendit illi in curru cherubim.
11Hoe zullen we Zorobabel prijzen! Hij toch was als een zegelring aan de rechterhand.
11Nam commemoratus est inimicorum in imbre, benefacere illis qui ostenderunt rectas vias.
12Hoe ook, Jehosjóea, den zoon van Josadak? Want zij herbouwden in hun dagen de tempel, En richtten het heiligdom weer op, Voor eeuwige glorie bestemd.
12Et duodecim prophetarum ossa pullulent de loco suo: nam corroboraverunt Jacob, et redemerunt se in fide virtutis.]
13Nehemias: zijn gedachtenis blijve in ere! Want hij heeft onze ruïnen hersteld; Hij richtte onze puinhopen weer op, En bevestigde poorten en grendels.
13[Quomodo amplificemus Zorobabel? nam et ipse quasi signum in dextera manu:
14Als Henok zijn er weinigen op aarde geweest; Hij werd immers van de aarde ontrukt.
14sic et Jesum filium Josedec, qui in diebus suis ædificaverunt domum, et exaltaverunt templum sanctum Domino, paratum in gloriam sempiternam.
15En als Josef werd er niemand geboren, Zelfs zijn lijk werd nog zorgzaam bewaard. Maar de eerste van zijn broeders, de roem van zijn volk
15Et Nehemias in memoriam multi temporis, qui erexit nobis muros eversos, et stare fecit portas et seras, qui erexit domos nostras.]
16Sem, Set en Enos blijven in ere, En boven alle mensen gaat de glorie van Adam;
16[Nemo natus est in terra qualis Henoch, nam et ipse receptus est a terra:
no verse 17 in this text
17neque ut Joseph, qui natus est homo princeps fratrum, firmamentum gentis, rector fratrum, stabilimentum populi:
no verse 18 in this text
18et ossa ipsius visitata sunt, et post mortem prophetaverunt.
no verse 19 in this text
19Seth et Sem apud homines gloriam adepti sunt, et super omnem animam in origine Adam.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.