Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1In drie dingen vindt mijn ziel behagen; Want lieflijk zijn ze voor God en de mensen: Eendracht onder broeders, liefde voor den evenmens, En man en vrouw, die bij elkander goed passen.
1[In tribus placitum est spiritui meo, quæ sunt probata coram Deo et hominibus:
2Maar drie soorten mensen haat mijn ziel; Een diepe afschuw heb ik van hun leven: Een trotsen arme, een rijken bedrieger, En een overspeligen grijsaard, zonder verstand.
2concordia fratrum, et amor proximorum, et vir et mulier bene sibi consentientes.
3Als ge niet opspaart in uw jeugd, Hebt ge niets in voorraad, als ge oud zijt!
3Tres species odivit anima mea, et aggravor valde animæ illorum:
4Hoe schoon staat de grijze haren het oordeel, De ouden, goede raad te weten.
4pauperem superbum, divitem mendacem, senem fatuum et insensatum.]
5Hoe schoon past wijsheid bij grijsaards, Overleg en raad bij mannen van aanzien.
5[Quæ in juventute tua non congregasti, quomodo in senectute tua invenies?
6Rijke ervaring is de kroon der bejaarden, Maar hun roem is de vreze des Heren.
6Quam speciosum canitiei judicium, et presbyteris cognoscere consilium !
7Negen dingen ken ik, die ik prijs in het hart, En het tiende neem ik op de tong: Een man, die vreugde ondervindt van zijn kinderen, En hij, die de val van zijn vijanden beleeft.
7Quam speciosa veteranis sapientia, et gloriosus intellectus et consilium !
8Gelukkig, wie samenwoont met een verstandige vrouw, En hij, die niet ploegt met os en ezel tezamen; Gelukkig, wie niet struikelt door de tong, En hij, die niet zijn mindere hoeft te dienen.
8Corona senum multa peritia, et gloria illorum timor Dei.]
9Gelukkig, wie een vriend mocht vinden, En hij, die spreekt voor luisterende oren.
9[Novem insuspicabilia cordis magnificavi: et decimum dicam in lingua hominibus:
10Hoe groot is hij, die wijsheid vond; Maar niemand gaat hem te boven, die Jahweh vreest!
10homo qui jucundatur in filiis, vivens et videns subversionem inimicorum suorum.
11De vreze des Heren gaat alles te boven; Wie haar bezit, met wien zal men hem vergelijken?
11Beatus qui habitat cum muliere sensata, et qui lingua sua non est lapsus, et qui non servivit indignis se.
12De vreze des Heren is het begin van de liefde; Maar het geloof is het begin van onze verbinding met Hem.
12Beatus qui invenit amicum verum, et qui enarrat justitiam auri audienti.
13Liever iedere wonde dan een hartewonde, Iedere boosheid dan vrouwenboosheid;
13Quam magnus qui invenit sapientiam et scientiam ! sed non est super timentem Dominum.
14Iedere tegenkanting dan die van haters, Iedere wraak dan die van vijanden.
14Timor Dei super omnia se superposuit.
15Geen vergif is erger dan slangenvergif, Geen toorn heviger dan vrouwentoorn.
15Beatus homo cui donatum est habere timorem Dei: qui tenet illum, cui assimilabitur?
16Ik wil liever wonen met een leeuw of een draak, Dan huizen bij een kwade vrouw.
16Timor Dei initium dilectionis ejus: fidei autem initium agglutinandum est ei.]
17Boosheid vertrekt het gelaat van een vrouw, En maakt haar uiterlijk nors als dat van een beer;
17[Omnis plaga tristitia cordis est, et omnis malitia nequitia mulieris.
18Al zit haar man in de kring van zijn vrienden, Onwillekeurig moet hij zuchten.
18Et omnem plagam, et non plagam videbit cordis:
19Geen kwelling is groter dan die van een vrouw; Moge het lot van de zondaars haar treffen!
19et omnem nequitiam, et non nequitiam mulieris:
20Als een zandige helling voor oude voeten, Is een praatzieke vrouw voor een rustig man.
20et omnem obductum, et non obductum odientium:
21Laat u niet verleiden door de schoonheid van een vrouw, en koester geen begeerten naar wat ze bezit;
21et omnem vindictam, et non vindictam inimicorum.
22Want het is een harde slavernij en een schande, Als een man wordt onderhouden door zijn vrouw.
22Non est caput nequius super caput colubri,
23Een boze vrouw bezorgt een bedrukt gemoed, Een treurig gelaat en harteleed; Slappe handen en knikkende knieën, Al wie haar man niet gelukkig maakt.
23et non est ira super iram mulieris. Commorari leoni et draconi placebit, quam habitare cum muliere nequam.
24Van een vrouw kwam het begin van de zonde; Om haar moeten wij allen sterven.
24Nequitia mulieris immutat faciem ejus: et obcæcat vultum suum tamquam ursus, et quasi saccum ostendit. In medio proximorum ejus
25Geef geen vrije loop aan het water, Geen vrijheid aan een boze vrouw.
25ingemuit vir ejus, et audiens suspiravit modicum.
26Als ze niet wandelt aan uw hand, Zal ze u beschamen tegenover uw vijanden. Snijd haar dan af van uw vlees, Opdat zij u niet blijve misbruiken.
26Brevis omnis malitia super malitiam mulieris: sors peccatorum cadat super illam.
no verse 27 in this text
27Sicut ascensus arenosus in pedibus veterani, sic mulier linguata homini quieto.
no verse 28 in this text
28Ne respicias in mulieris speciem, et non concupiscas mulierem in specie.
no verse 29 in this text
29Mulieris ira, et irreverentia, et confusio magna.
no verse 30 in this text
30Mulier si primatum habeat, contraria est viro suo.
no verse 31 in this text
31Cor humile, et facies tristis, et plaga cordis, mulier nequam.
no verse 32 in this text
32Manus debiles et genua dissoluta, mulier quæ non beatificat virum suum.
no verse 33 in this text
33A muliere initium factum est peccati, et per illam omnes morimur.
no verse 34 in this text
34Non des aquæ tuæ exitum, nec modicum: nec mulieri nequam veniam prodeundi.
no verse 35 in this text
35Si non ambulaverit ad manum tuam, confundet te in conspectu inimicorum.
no verse 36 in this text
36A carnibus tuis abscinde illam, ne semper te abutatur.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.