Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Na hem trad Natan op, En stond voor het aanschijn van David.
1[Post hæc surrexit Nathan, propheta in diebus David.
2Ja, zoals het vet wordt afgezonderd van het offer, Zo David van Israël.
2Et quasi adeps separatus a carne, sic David a filiis Israël.
3Hij speelde met leeuwen als met lammeren, Met beren als met jonge schapen.
3Cum leonibus lusit quasi cum agnis, et in ursis similiter fecit sicut in agnis ovium, in juventute sua.
4In zijn jonge jaren sloeg hij den reus, En nam de schande weg van het volk; Door de hand aan de slinger te slaan, Brak hij de trots van Goliat.
4Numquid non occidit gigantem, et abstulit opprobrium de gente?
5Want hij riep tot den allerhoogsten God, En Deze gaf kracht aan zijn hand, Om den ervaren krijgsman neer te vellen, En de hoorn van zijn volk te verheffen.
5In tollendo manum, saxo fundæ dejecit exsultationem Goliæ:
6Daarom zongen de meisjes hem toe, En prezen hem met “Tienduizend”. Toen hij de kroon droeg, voerde hij krijg,
6nam invocavit Dominum omnipotentem, et dedit in dextera ejus tollere hominem fortem in bello, et exaltare cornu gentis suæ.
7En vernederde den vijand in het rond; Hij sloeg de grimmige Filistijnen te pletter, En brak hun hoorn tot de dag van vandaag.
7Sic in decem millibus glorificavit eum: et laudavit eum in benedictionibus Domini, in offerendo illi coronam gloriæ:
8Bij al zijn daden gaf hij lof Aan den allerhoogsten God in psalmgezangen. Hij beminde zijn Schepper uit geheel zijn hart, En loofde Hem iedere dag opnieuw;
8contrivit enim inimicos undique, et extirpavit Philisthiim contrarios usque in hodiernum diem: contrivit cornu ipsorum usque in æternum.
9Hij zorgde voor muziekinstrumenten bij het altaar, Voor harpen bij het psalmenzingen.
9In omni opere dedit confessionem Sancto, et Excelso in verbo gloriæ.
10Zo zette hij luister bij aan de feesten, En vierde ze het hele jaar door; Van het loven van zijn heilige Naam Weerschalde het heiligdom reeds voor de dageraad.
10De omni corde suo laudavit Dominum: et dilexit Deum, qui fecit illum, et dedit illi contra inimicos potentiam:
11Jahweh vergaf hem ook zijn zonden, En verhief voor immer zijn hoorn. Want Hij gaf hem recht op het koningschap En bevestigde zijn troon over Israël;
11et stare fecit cantores contra altare, et in sono eorum dulces fecit modos.
12Om zijnentwil stond een zoon na hem op, Een wijs man, die ongestoord woonde.
12Et dedit in celebrationibus decus, et ornavit tempora usque ad consummationem vitæ, ut laudarent nomen sanctum Domini, et amplificarent mane Dei sanctitatem.
13Salomon was koning in dagen van vrede; Want God schonk hem rust in het rond, Opdat hij zijn Naam een huis zou bouwen, En een heiligdom zou stichten voor immer.
13Dominus purgavit peccata ipsius, et exaltavit in æternum cornu ejus: et dedit illi testamentum regni, et sedem gloriæ in Israël.]
14Wat bezat gij verstand in uw jeugd, En vloeide gij over van wijsheid als de Nijl.
14[Post ipsum surrexit filius sensatus, et propter illum dejecit omnem potentiam inimicorum.
15Gij hebt de aarde bedekt met uw geest, En haar met raadselspreuken vervuld.
15Salomon imperavit in diebus pacis, cui subjecit Deus omnes hostes, ut conderet domum in nomine suo, et pararet sanctitatem in sempiternum. Quemadmodum eruditus es in juventute tua,
16Uw naam drong tot de verre eilanden door; Gij waart bemind om uw vrede.
16et impletus es, quasi flumen, sapientia, et terram retexit anima tua.
17Door zangen en spreuken, door raadsels en verzen, Hebt gij de volkeren in verbazing gebracht.
17Et replesti in comparationibus ænigmata: ad insulas longe divulgatum est nomen tuum, et dilectus es in pace tua.
18Gij werdt genoemd naar de heerlijke Naam, Die over Israël wordt aangeroepen. Maar gij hebt goud verzameld als ijzer, En zilver opgehoopt als lood;
18In cantilenis, et proverbiis, et comparationibus, et interpretationibus, miratæ sunt terræ:
19Gij hebt uw lenden gegeven aan vrouwen, En haar laten heersen over uw lichaam.
19et in nomine Domini Dei, cui est cognomen Deus Israël.
20Zo hebt gij een smet geworpen op uw roem; Gij hebt uw sponde ontwijd, Zodat gij toorn bracht over uw geslacht En zuchten over uw huis;
20Collegisti quasi auricalcum aurum, et ut plumbum complesti argentum:
21Het volk viel in twee rijken uiteen, Uit Efraïm groeide een onwettig rijk.
21et inclinasti femora tua mulieribus: potestatem habuisti in corpore tuo.
22Maar God trekt zijn barmhartigheid niet terug; Hij laat geen van zijn beloften zonder vervulling; Hij houwt de stam van zijn uitverkorenen niet af, Roeit het geslacht niet uit van wie Hem beminnen, Neen, Hij laat aan Jakob een rest, Aan het huis van David een nieuwe spruit!
22Dedisti maculam in gloria tua, et profanasti semen tuum, inducere iracundiam ad liberos tuos, et incitari stultitiam tuam:
23Salomon ontsliep hoogbejaard, En liet een zoon na, vol overmoed, Groot in dwaasheid en klein van verstand, Roboam, die door zijn besluit het volk deed afvallen.
23ut faceres imperium bipartitum, et ex Ephraim imperare imperium durum.
24Toen stond er een op: zijn aandenken worde vergeten: Jeroboam, de zoon van Nebat. Hij was het, die Israël tot zonde bracht, En ergernis gaf aan Efraïm.
24Deus autem non derelinquet misericordiam suam: et non corrumpet, nec delebit opera sua, neque perdet a stirpe nepotes electi sui, et semen ejus qui diligit Dominum non corrumpet.
25Want hun zonde werd hoe langer hoe groter, En zij gaven zich over aan allerlei kwaad; Totdat de vergelding over hen kwam, En zij verdreven werden uit hun land.
25Dedit autem reliquum Jacob, et David de ipsa stirpe.
no verse 26 in this text
26Et finem habuit Salomon cum patribus suis.]
no verse 27 in this text
27[Et dereliquit post se de semine suo, gentis stultitiam,
no verse 28 in this text
28et imminutum a prudentia, Roboam, qui avertit gentem consilio suo:
no verse 29 in this text
29et Jeroboam filium Nabat, qui peccare fecit Israël, et dedit viam peccandi Ephraim: et plurima redundaverunt peccata ipsorum.
no verse 30 in this text
30Valde averterunt illos a terra sua.
no verse 31 in this text
31Et quæsivit omnes nequitias, usque dum perveniret ad illos defensio, et ab omnibus peccatis liberavit eos.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.