Jezussirach 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1De luiaard gelijkt op een smerige steen: Iedereen geeft af op zijn schande.
1[In lapide luteo lapidatus est piger: et omnes loquentur super aspernationem illius.
2Een luiaard gelijkt op het vuil van de mesthoop: Ieder, die het aanraakt, veegt zijn hand af.
2De stercore boum lapidatus est piger: et omnis qui tetigerit eum excutiet manus.]
3Een tuchteloos meisje is een schande voor haar vader; Zo'n dochter berokkent hem oneer.
3[Confusio patris est de filio indisciplinato: filia autem in deminoratione fiet.
4Een verstandige dochter vindt haar man; Een eerloze echter wordt een smart voor haar vader.
4Filia prudens hæreditas viro suo: nam quæ confundit, in contumeliam fit genitoris.
5De schaamteloze maakt vader en man te schande, En wordt door beiden veracht.
5Patrem et virum confundit audax, et ab impiis non minorabitur: ab utrisque autem inhonorabitur.
6Een ontijdig woord is als muziek ten tijde van rouw, Maar slagen en tucht zijn altijd wijsheid.
6Musica in luctu importuna narratio: flagella et doctrina in omni tempore sapientia.]
no verse 7 in this text
7[Qui docet fatuum, quasi qui conglutinat testam.
no verse 8 in this text
8Qui narrat verbum non audienti, quasi qui excitat dormientem de gravi somno.
9Wie een dwaas onderricht, lijmt scherven aaneen, Maakt een slaper wakker uit diepe rust.
9Cum dormiente loquitur qui enarrat stulto sapientiam: et in fine narrationis dicit: Quis est hic?
10Wie spreekt tot een dwaas, spreekt tot iemand, die droomt; Ten slotte zal hij zeggen: “Wat is er?”
10Supra mortuum plora, defecit enim lux ejus: et supra fatuum plora, defecit enim sensus.
11Ween over een dode, want het licht ging uit; Ween ook over een dwaas, want het verstand is heen. Ween minder over een dode, want hij heeft rust bekomen; Maar het leven van een dwaas is erger nog dan de dood.
11Modicum plora super mortuum, quoniam requievit:
12Zeven dagen moet men een dode bewenen, Maar den dwaas en goddeloze geheel zijn leven.
12nequissimi enim nequissima vita super mortem fatui.
13Spreek niet veel met een dwaas, En ga niet om met onverstand; Wacht u voor hem, om geen last te hebben, En niet door zijn aanraking te worden besmet. Ontwijk hem, en ge zult rust vinden, En geen last hebben van zijn dwaasheid.
13Luctus mortui septem dies: fatui autem et impii omnes dies vitæ illorum.
14Wat is er zwaarder dan lood? Is zijn naam niet “een zot”?
14Cum stulto ne multum loquaris, et cum insensato ne abieris.
15Zand en zout en ijzerklompen Zijn lichter te dragen dan een overstandig mens.
15Serva te ab illo, ut non molestiam habeas, et non coinquinaberis peccato illius.
16Houten spanten, bij het bouwen verbonden, Laten bij geen schokken los; Zo zal het hart, dat vasthoudt aan een welberaamd plan, Geen ogenblik van zijn stuk geraken.
16Deflecte ab illo, et invenies requiem, et non acediaberis in stultitia illius.
17Een hart, dat zich verlaat op een verstandig besluit, Is sterk als een glad gepleisterde muur;
17Super plumbum quid gravabitur? et quod illi aliud nomen quam fatuus?
18Maar stenen zonder kalk op elkaar gestapeld, Houden geen stand voor de storm. Zo is het hart, dat de plannen vreest van een dwaas, Tegen geen enkele angst bestand.
18Arenam, et salem, et massam ferri facilius est ferre quam hominem imprudentem, et fatuum, et impium.]
19Wie in het oog prikt, doet tranen vloeien, Wie prikt in het hart, wekt gevoeligheid op;
19[Loramentum ligneum colligatum in fundamento ædificii non dissolvetur, sic et cor confirmatum in cogitatione consilii.
20Wie een steen gooit naar vogels, jaagt ze weg, Wie zijn vriend beschimpt, verbreekt de vriendschap.
20Cogitatus sensati in omni tempore metu non depravabitur.
21Al trekt getegen uw vriend ook het zwaard, Wanhoop niet: het komt weer terecht;
21Sicut pali in excelsis, et cæmenta sine impensa posita, contra faciem venti non permanebunt:
22Al zet ge een mond op tegen uw vriend, Wees niet bevreesd; het kan nog worden hersteld; Maar voor schimpen, trots en geheimen verklappen, Voor geniepige zetten gaat iedere vriend op de loop.
22sic et cor timidum in cogitatione stulti contra impetum timoris non resistet.
23Blijf uw vriend in armoe trouw, Opdat ge ook in zijn voorspoed moogt delen. Verlaat hem niet ten tijde van nood; Dan deelt ge ook in zijn welvaart.
23Sicut cor trepidum in cogitatione fatui omni tempore non metuet, sic et qui in præceptis Dei permanet semper.]
24Vóór het vuur geeft de oven rook en smook: Zo gaat schelden aan bloedvergieten vooraf.
24[Pungens oculum deducit lacrimas, et qui pungit cor profert sensum.
25Nooit zal ik me schamen, een vriend te beschermen, En nooit zal ik me voor hem verbergen;
25Mittens lapidem in volatilia, dejiciet illa: sic et qui conviciatur amico, dissolvit amicitiam.
26En al zou hij mij soms met kwaad vergelden, Ieder, die het hoort, zal zich dan voor hem wachten.
26Ad amicum etsi produxeris gladium, non desperes: est enim regressus. Ad amicum
27Wie geeft mij een wacht op mijn mond, Een goedsluitend zegel op mijn lippen, Opdat ik er niet door ten val moge komen, En mijn tong mij niet in het verderf moge storten?
27si aperueris os triste, non timeas: est enim concordatio: excepto convitio, et improperio, et superbia, et mysterii revelatione, et plaga dolosa: in his omnibus effugiet amicus.
no verse 28 in this text
28Fidem posside cum amico in paupertate illius, ut et in bonis illius læteris.
no verse 29 in this text
29In tempore tribulationis illius permane illi fidelis, ut et in hæreditate illius cohæres sis.
no verse 30 in this text
30Ante ignem camini vapor et fumus ignis inaltatur: sic et ante sanguinem maledicta, et contumeliæ, et minæ.
no verse 31 in this text
31Amicum salutare non confundar, a facie illius non me abscondam: et si mala mihi evenerint per illum, sustinebo.
no verse 32 in this text
32Omnis qui audiet cavebit se ab eo.]
no verse 33 in this text
33[Quis dabit ori meo custodiam, et super labia mea signaculum certum, ut non cadam ab ipsis, et lingua mea perdat me?]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.