Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Wie zijn zoon liefheeft, gewent hem aan de roede, Om ten slotte vreugde aan hem te beleven.
1[Qui diligit filium suum assiduat illi flagella, ut lætetur in novissimo suo, et non palpet proximorum ostia.
2Wie zijn zoon goed opvoedt, wordt om hem geprezen, En in de kring van bekenden kan hij groot op hem gaan.
2Qui docet filium suum laudabitur in illo, et in medio domesticorum in illo gloriabitur.
3Wie zijn zoon onderricht, maakt zijn vijand jaloers, En kan zich bij zijn vrienden over hem verheugen.
3Qui docet filium suum in zelum mittit inimicum, et in medio amicorum gloriabitur in illo.
4Sterft zijn vader, het is alsof hij niet dood is; Want hij laat zijn evenbeeld achter.
4Mortuus est pater ejus, et quasi non est mortuus: similem enim reliquit sibi post se.
5Bij zijn leven zag hij het met vreugde, En bij zijn einde heeft hij geen kommer;
5In vita sua vidit, et lætatus est in illo: in obitu suo non est contristatus, nec confusus est coram inimicis:
6Want den vijand laat hij een wreker na, En de vrienden een, die hun goedheid vergeldt.
6reliquit enim defensorem domus contra inimicos, et amicis reddentem gratiam.
7Wie zijn zoon vertroetelt, verdubbelt zijn smart; Want bij ieder geschrei wordt zijn hart ontsteld.
7Pro animabus filiorum colligabit vulnera sua, et super omnem vocem turbabuntur viscera ejus.
8Een ongebreideld paard slaat op hol; Zo gaat een teugelloze zoon er van door.
8Equus indomitus evadit durus, et filius remissus evadet præceps.
9Vertroetel uw kind, en het maakt u benauwd; Scherts er mee, en het doet u pijn.
9Lacta filium, et paventem te faciet: lude cum eo, et contristabit te.
10Lach het niet toe, anders doet het u wenen, En ge maakt ten slotte uw tanden stomp.
10Non corrideas illi, ne doleas, et in novissimo obstupescent dentes tui.
11Laat het geen baas zijn in zijn jeugd, En duld zijn gebreken niet; Zoals ge een adder de kop verplet, Breek het de ribben, als het nog klein is.
11Non des illi potestatem in juventute, et ne despicias cogitatus illius.
12Buig zijn nek in zijn jeugd, En kastijd het, zolang het nog klein is; Anders komt het in opstand en verzet tegen u, En berokkent u hartzeer.
12Curva cervicem ejus in juventute, et tunde latera ejus dum infans est, ne forte induret, et non credat tibi, et erit tibi dolor animæ.
13Tuchtig uw kind en verzwaar zijn juk; Anders wordt het u in zijn dwaasheid de baas.
13Doce filium tuum, et operare in illo, ne in turpitudinem illius offendas.]
14Beter een arme, die gezond is van leden, Dan een rijke, geslagen met ziekte;
14[Melior est pauper sanus, et fortis viribus, quam dives imbecillis et flagellatus malitia.
15Gezondheid van lichaam is mij liever dan goud, En opgewektheid van geest is beter dan paarlen.
15Salus animæ in sanctitate justitiæ melior est omni auro et argento: et corpus validum quam census immensus.
16Geen schat is groter dan een sterke gezondheid, Geen goed meer waard dan blijheid van hart;
16Non est census super censum salutis corporis, et non est oblectamentum super cordis gaudium.
17Beter de dood dan een bitter leven, Beter eeuwige rust dan voortdurend leed.
17Melior est mors quam vita amara, et requies æterna quam languor perseverans.
18Lekkernijen, opgediend aan een gesloten mond, Zijn als spijzen, neergezet voor een afgodsbeeld.
18Bona abscondita in ore clauso, quasi appositiones epularum circumpositæ sepulchro.
19Wat heeft een afgodsbeeld aan een offer; Het kan immers niet eten of ruiken. Zo is ook hij, die door den Heer wordt gestraft, En rijkdom bezit, zonder ervan te kunnen genieten:
19Quid proderit libatio idolo? nec enim manducabit, nec odorabit.
20Hij ziet het met zijn ogen en steunt, Als een ontmande, die zuchtend een meisje omhelst.
20Sic qui effugatur a Domino, portans mercedes iniquitatis:
21Geef u niet over aan droefheid, Opdat ge door uw tobben niet te gronde gaat;
21videns oculis et ingemiscens, sicut spado complectens virginem, et suspirans.
22Want blijheid van hart is 's mensen leven, En vreugde maakt zijn dagen lang.
22Tristitiam non des animæ tuæ, et non affligas temetipsum in consilio tuo.
23Houd kalm uw ziel en rustig uw hart, En jaag alle neerslachtigheid verre van u; Want droefheid is voor velen de dood geweest, En neerslachtigheid dient tot niets.
23Jucunditas cordis, hæc est vita hominis, et thesaurus sine defectione sanctitatis: et exsultatio viri est longævitas.
24Nijd en gramschap verkorten het leven, En zorg maakt oud voor de tijd; De slaap van een opgeruimd mens is als een lekkernij En zijn eten bekomt hem goed.
24Miserere animæ tuæ placens Deo, et contine: congrega cor tuum in sanctitate ejus, et tristitiam longe repelle a te.
no verse 25 in this text
25Multos enim occidit tristitia, et non est utilitas in illa.
no verse 26 in this text
26Zelus et iracundia minuunt dies, et ante tempus senectam adducet cogitatus.
no verse 27 in this text
27Splendidum cor et bonum in epulis est: epulæ enim illius diligenter fiunt.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.