Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Verblijd u niet om de schoonheid van knapen, die niet deugen, En verheug u niet over goddeloze kinderen;
1[Ne jucunderis in filiis impiis, si multiplicentur: nec oblecteris super ipsos, si non est timor Dei in illis.
2Al gedijen ze ook, schep er geen vreugde in, Als zij de vreze des Heren niet hebben.
2Non credas vitæ illorum, et ne respexeris in labores eorum.
3Heb geen verwachtingen van hun leven, En stel geen vertrouwen in hun toekomst; Want één, die Gods wil doet, is meer waard dan duizend, Beter kinderloos sterven, dan veel slechte kinderen.
3Melior est enim unus timens Deum, quam mille filii impii:
4Door één godvrezende blijft een stad bewoond; Maar door een geslacht van zondaars gaat ze te gronde.
4et utile est mori sine filiis, quam relinquere filios impios.
5Meer dergelijke dingen hebben mijn ogen gezien, Nog sterker gevallen vernamen mijn oren:
5Ab uno sensato inhabitabitur patria: tribus impiorum deseretur.
6In de bende der bozen ontvlamde het vuur. In het goddeloze volk ontbrandde de toorn;
6Multa talia vidit oculis meus, et fortiora horum audivit auris mea.
7Hij schonk geen vergiffenis aan de reuzen der oudheid, Die de wereld beroerden door hun kracht.
7In synagoga peccantium exardebit ignis, et in gente incredibili exardescet ira.
8De medeburgers van Lot heeft Hij niet gespaard, Toen zij Hem tartten door hun overmoed;
8Non exoraverunt pro peccatis suis antiqui gigantes, qui destructi sunt confidentes suæ virtuti.
9Evenmin de volkeren, door de banvloek getroffen, Maar om hun zonden dreef Hij ze weg.
9Et non pepercit peregrinationi Lot, et execratus est eos præ superbia verbi illorum.
10Zo ook de zeshonderdduizend man voetvolk, Die werden verdelgd om de verstoktheid huns harten.
10Non misertus est illis, gentem totam perdens, et extollentem se in peccatis suis.
11Ja, al bleef er maar één hardnekkig, Wonder, als hij niet zou worden gestraft. Want bij Hem is erbarming, maar ook gramschap; Hij spaart en vergeeft, maar stort op de bozen zijn toorn.
11Et sicut sexcenta millia peditum, qui congregati sunt in duritia cordis sui: et si unus fuisset cervicatus, mirum si fuisset immunis.
12Zo groot zijn ontferming, zo groot ook zijn straffen; Hij oordeelt eenieder volgens zijn werken.
12Misericordia enim et ira est cum illo: potens exoratio, et effundens iram.
13De boze zal met zijn bezit niet ontkomen; Maar de hoop van de goeden zal Hij nimmer beschamen.
13Secundum misericordiam suam, sic correptio illius homines secundum opera sua judicat.
14Ieder, die gerechtigheid doet, zal worden beloond; Iedere mens ontvangt van Hem naar zijn werken.
14Non effugiet in rapina peccator, et non retardabit sufferentia misericordiam facientis.
no verse 15 in this text
15Omnis misericordia faciet locum unicuique, secundum meritum operum suorum, et secundum intellectum peregrinationis ipsius.]
no verse 16 in this text
16[Non dicas: A Deo abscondar: et ex summo, quis mei memorabitur?
17Denk niet: Ik ben voor God verborgen; Wie in den hoge denkt er aan mij? Onder zo'n grote massa word ik niet bemerkt; Wat ben ik onder zo vele mensen?
17in populo magno non agnoscar: quæ est enim anima mea in tam immensa creatura?
18Zie, hemel en hemel der hemelen, afgrond en aarde, Zij beven, als Hij er op neerziet;
18Ecce cælum et cæli cælorum, abyssus, et universa terra, et quæ in eis sunt, in conspectu illius commovebuntur.
19De grondslagen der bergen, de fundamenten der aarde, Zij sidderen, als Hij ze beschouwt.
19Montes simul, et colles, et fundamenta terræ, cum conspexerit illa Deus, tremore concutientur.
20En toch schenkt Hij geen aandacht aan mij; Wie zou er letten op mijn wegen?
20Et in omnibus his insensatum est cor, et omne cor intelligitur ab illo.
21Als ik zondig, geen oog dat het ziet; Als ik lieg in het diepste geheim, wie weet het?
21Et vias illius quis intelligit, et procellam quam nec oculus videbit hominis?
22Een goede daad, wie maakt ze bekend; Wat heb ik te hopen, al doe ik mijn plicht?
22Nam plurima illius opera sunt in absconsis: sed opera justitiæ ejus quis enuntiabit, aut quis sustinebit? longe enim est testamentum a quibusdam, et interrogatio omnium in consummatione est.
23Stompzinnigen zijn het, die zo denken; Alleen een dwaas kan zo spreken!
23Qui minoratur corde cogitat inania, et vir imprudens et errans cogitat stulta.]
24Luistert naar mij en verneemt mijn wijsheid, Schenkt aandacht aan mijn woorden;
24[Audi me, fili, et disce disciplinam sensus, et in verbis meis attende in corde tuo:
25Na diep gepeins zal ik mijn geest laten sprankelen, Met bescheidenheid mijn kennis verkonden.
25et dicam in æquitate disciplinam, et scrutabor enarrare sapientiam: et in verbis meis attende in corde tuo, et dico in æquitate spiritus virtutes quas posuit Deus in opera sua ab initio, et in veritate enuntio scientiam ejus.
26Toen God in den beginne zijn werken schiep, En volgens hun taak hun een plaats bereidde,
26In judicio Dei opera ejus ab initio, et ab institutione ipsorum distinxit partes illorum, et initia eorum in gentibus suis.
27Heeft Hij voor immer hun werk geordend, Voor altijd hun gebied vastgesteld. Ze worden niet hongerig en lijden geen dorst, En houden niet op met hun werk;
27Ornavit in æternum opera illorum: nec esurierunt, nec laboraverunt, et non destiterunt ab operibus suis.
28Er is er niet één, die den ander verdringt,
28Unusquisque proximum sibi non angustiabit in æternum:
29Nooit zijn ze aan zijn woord ongehoorzaam.
29non sis incredibilis verbo illius.
30Toen blikte de Heer op de aarde neder, En vervulde haar met zijn gaven;
30Post hæc Deus in terram respexit, et implevit illam bonis suis:
31Hij heeft haar met allerlei levende wezens bedekt, Die eens tot haar zullen terugkeren.
31anima omnis vitalis denuntiavit ante faciem ipsius, et in ipsam iterum reversio illorum.]

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.