Jezussirach 45
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Uit hem liet Hij een man ontspruiten, Die genade vond in aller oog, Bemind bij God en bij de mensen: Moses, zijn gedachtenis blijve in ere!
1[Dilectus Deo et hominibus Moyses, cujus memoria in benedictione est.
2Want Hij eerde hem als een god, En maakte hem machtig door vreselijke werken.
2Similem illum fecit in gloria sanctorum, et magnificavit eum in timore inimicorum, et in verbis suis monstra placavit.
3Op zijn woord geschiedden onmiddellijk wonderen; Zo maakte Hij hem sterk voor den vorst. Hij gaf hem geboden voor het volk, En liet hem zijn Glorie aanschouwen;
3Glorificavit illum in conspectu regum, et jussit illi coram populo suo, et ostendit illi gloriam suam.
4Om zijn trouw en zijn deemoed Koos Hij hem uit onder alle vlees.
4In fide et lenitate ipsius sanctum fecit illum, et elegit eum ex omni carne.
5Hij liet hem zijn eigen stem vernemen, Toen Hij hem binnenvoerde in de wolk; Hij legde de geboden in zijn hand, De wet des levens en der wijsheid, Om aan Jakob zijn wetten te leren, Zijn beschikkingen en voorschriften aan Israël.
5Audivit enim eum, et vocem ipsius, et induxit illum in nubem.
6Hij verhief Aäron, even heilig als hij, Zijn broeder uit de stam van Levi.
6Et dedit illi coram præcepta, et legem vitæ et disciplinæ, docere Jacob testamentum suum, et judicia sua Israël.]
7Hij sloot met hem een eeuwig verbond, En verleende hem een ereambt; Hij maakte hem gelukkig met zijn luister En bond hem buffelhoornen aan.
7[Excelsum fecit Aaron fratrem ejus, et similem sibi, de tribu Levi.
8Hij bekleedde hem met volle pracht, En tooide hem met kostelijke gewaden: Met heupkleed, onder- en opperkleed,
8Statuit ei testamentum æternum, et dedit illi sacerdotium gentis, et beatificavit illum in gloria:
9Rondom met granaten bezet. Met belletjes volop in het rond, Om te klingelen bij het gaan, En hun klank te doen horen in het heiligdom, Als een teken voor zijn volksgenoten.
9et circumcinxit eum zona gloriæ, et induit eum stolam gloriæ, et coronavit eum in vasis virtutis.
10Met een heilig gewaad van goud en blauw, En purper: een kunstgewrocht; Met de borsttas voor de orakelstenen, Uit scharlaken: een werk van weefkunst.
10Circumpedes, et femoralia, et humerale posuit ei: et cinxit illum tintinnabulis aureis plurimis in gyro:
11Met de edelstenen op de borsttas, Als een zegel gesneden, in goud gevat: Een gedachtenis, in letters gegrift, Voor al de stammen van Israël.
11dare sonitum in incessu suo, auditum facere sonitum in templo in memoriam filiis gentis suæ.
12Met de gouden diadeem op de mijter, De plaat, met het inschrift: “Aan Jahweh gewijd;” Een heerlijke luister en grootse statie, Een lust voor de ogen, volmaakte pracht.
12Stolam sanctam auro, et hyacintho, et purpura, opus textile viri sapientis, judicio et veritate præditi:
13Vóór hem heeft zo iets nimmer bestaan, En zo zal in eeuwigheid geen onbevoegde zich kleden; Alleen voor zijn zonen werd het zo verordend, En zo zal het blijven van geslacht tot geslacht.
13torto cocco opus artificis gemmis pretiosis figuratis in ligatura auri, et opere lapidarii sculptis, in memoriam secundum numerum tribuum Israël.
14Zijn offer werd geheel verteerd, Bestendig, tweemaal iedere dag.
14Corona aurea super mitram ejus expressa signo sanctitatis, et gloria honoris: opus virtutis, et desideria oculorum ornata.
15Moses stelde hem tot priester aan, En zalfde hem met heilige olie. Het werd voor hem een eeuwig verbond, En voor zijn geslacht, als de dagen des hemels: Om Hem te dienen, zijn priester te zijn, En zijn volk te zegenen met zijn Naam.
15Sic pulchra ante ipsum non fuerunt talia usque ad originem.
16Uit alle levenden koos Hij hem uit, Om brandoffers en de beste stukken te offeren, Om geurige wierook en het reukoffer te branden, En om verzoening te verkrijgen voor zijn volk.
16Non est indutus illa alienigena aliquis, sed tantum filii ipsius soli, et nepotes ejus per omne tempus.
17Hij vertrouwde hem zijn geboden toe, En gaf hem macht over recht en wet: Om aan zijn volk de wet te leren, Het recht aan de kinderen van Israël.
17Sacrificia ipsius consumpta sunt igne quotidie.
18Onbevoegden stonden tegen hem op Uit afgunst in de woestijn: De mannen van Datan en Abiram, En de bent van Kore in hevige twist.
18Complevit Moyses manus ejus, et unxit illum oleo sancto.
19Maar Jahweh zag het en ziedde van woede, En verdelgde hen in gloeiende toorn; Een wonder zelfs wrochtte Hij tegen hen, En verteerde hen in zijn laaiend vuur.
19Factum est illi in testamentum æternum, et semini ejus, sicut dies cæli, fungi sacerdotio, et habere laudem, et glorificare populum suum in nomine ejus.
20Maar aan Aäron gaf Hij nog hoger luister, Door hem een eigen erfdeel te schenken; Hij gaf voor zijn onderhoud de heilige tienden, En de offers van Jahweh mochten zij eten.
20Ipsum elegit ab omni vivente, offerre sacrificium Deo, incensum, et bonum odorem, in memoriam placare pro populo suo:
no verse 21 in this text
21et dedit illi in præceptis suis potestatem, in testamentis judiciorum: docere Jacob testimonia, et in lege sua lucem dare Israël.
22Maar in het land van het volk bezat hij geen deel, In hun midden kreeg hij geen erfgoed; Want Jahweh is zijn deel, Zijn erfgoed onder Israëls zonen.
22Quia contra illum steterunt alieni, et propter invidiam circumdederunt illum homines in deserto, qui erant cum Dathan et Abiron, et congregatio Core in iracundia.
23Vervolgens Pinechas, de zoon van Elazar: Hij was de derde, die dit ambt bekleedde, Omdat hij voor den God van het heelal had geijverd, En in de bres was gesprongen voor zijn volk; Zijn hart had hem daartoe aangedreven, Om verzoening te verwerven voor Israëls kinderen.
23Vidit Dominus Deus, et non placuit illi, et consumpti sunt in impetu iracundiæ.
24Daarom sloot Hij ook met hem een verbond, Een verbond van vrede, om het heiligdom te verzorgen, Zodat bij hem en bij zijn geslacht Het hogepriesterschap voor eeuwig zou blijven.
24Fecit illis monstra, et consumpsit illos in flamma ignis.
25Het was dus een verbond als dat met David, Den zoon van Jesse, uit Juda's stam: Want zoals de erfenis des konings alleen overgaat op zijn zonen, Zo ook het erfdeel van Aäron op heel zijn geslacht. Zegent dus Jahweh, die zo goed voor u is, En die met luister u heeft gekroond!
25Et addidit Aaron gloriam, et dedit illi hæreditatem, et primitias frugum terræ divisit illi.
26Hij moge u wijsheid des harten verlenen, Om zijn volk rechtvaardig te richten, Opdat uw geluk niet zal tanen, Noch uw macht tot in verre geslachten.
26Panem ipsis in primis paravit in satietatem: nam et sacrificia Domini edent, quæ dedit illi et semini ejus.
no verse 27 in this text
27Ceterum in terra gentes non hæreditabit, et pars non est illi in gente: ipse est enim pars ejus, et hæreditas.]
no verse 28 in this text
28[Phinees, filius Eleazari, tertius in gloria est, imitando eum in timore Domini,
no verse 29 in this text
29et stare in reverentia gentis: in bonitate et alacritate animæ suæ placuit Deo pro Israël.
no verse 30 in this text
30Ideo statuit illi testamentum pacis, principem sanctorum et gentis suæ, ut sit illi et semini ejus sacerdotii dignitas in æternum.
no verse 31 in this text
31Et testamentum David regi filio Jesse de tribu Juda, hæreditas ipsi et semini ejus: ut daret sapientiam in cor nostrum, judicare gentem suam in justitia, ne abolerentur bona ipsorum: et gloriam ipsorum in gentem eorum æternam fecit.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.