Jezussirach 45
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Uit hem liet Hij een man ontspruiten, Die genade vond in aller oog, Bemind bij God en bij de mensen: Moses, zijn gedachtenis blijve in ere!
1Moses was beloved of God, and men: whose memory is in benediction.
2Want Hij eerde hem als een god, En maakte hem machtig door vreselijke werken.
2He made him like the saints in glory, and magnified him in the fear of his enemies, and with his words he made prodigies to cease.
3Op zijn woord geschiedden onmiddellijk wonderen; Zo maakte Hij hem sterk voor den vorst. Hij gaf hem geboden voor het volk, En liet hem zijn Glorie aanschouwen;
3He glorified him in the sight of kings, and gave him commandments in the sight of his people, and shewed him his glory.
4Om zijn trouw en zijn deemoed Koos Hij hem uit onder alle vlees.
4He sanctified him in his faith, and meekness, and chose him out of all flesh.
5Hij liet hem zijn eigen stem vernemen, Toen Hij hem binnenvoerde in de wolk; Hij legde de geboden in zijn hand, De wet des levens en der wijsheid, Om aan Jakob zijn wetten te leren, Zijn beschikkingen en voorschriften aan Israël.
5For he heard him, and his voice, and brought him into a cloud.
6Hij verhief Aäron, even heilig als hij, Zijn broeder uit de stam van Levi.
6And he gave him commandments before his face, and a law of life and instruction, that he might teach Jacob his covenant, and Israel his judgments.
7Hij sloot met hem een eeuwig verbond, En verleende hem een ereambt; Hij maakte hem gelukkig met zijn luister En bond hem buffelhoornen aan.
7He exalted Aaron his brother, and like to himself of the tribe of Levi:
8Hij bekleedde hem met volle pracht, En tooide hem met kostelijke gewaden: Met heupkleed, onder- en opperkleed,
8He made an everlasting covenant with him, and gave him the priesthood of the nation, and made him blessed in glory,
9Rondom met granaten bezet. Met belletjes volop in het rond, Om te klingelen bij het gaan, En hun klank te doen horen in het heiligdom, Als een teken voor zijn volksgenoten.
9And he girded him about with a glorious girdle, and clothed him with a robe of glory, and crowned him with majestic attire.
10Met een heilig gewaad van goud en blauw, En purper: een kunstgewrocht; Met de borsttas voor de orakelstenen, Uit scharlaken: een werk van weefkunst.
10He put upon him a garment to the feet, and breeches, and as ephod, and he compassed him with many little bells of gold all round about,
11Met de edelstenen op de borsttas, Als een zegel gesneden, in goud gevat: Een gedachtenis, in letters gegrift, Voor al de stammen van Israël.
11That as he went there might be a sound, and a noise made that might be heard in the temple, for a memorial to the children of his people.
12Met de gouden diadeem op de mijter, De plaat, met het inschrift: “Aan Jahweh gewijd;” Een heerlijke luister en grootse statie, Een lust voor de ogen, volmaakte pracht.
12He gave him a holy robe of gold, and blue, and purple, a woven work of a wise man, endued with judgment and truth:
13Vóór hem heeft zo iets nimmer bestaan, En zo zal in eeuwigheid geen onbevoegde zich kleden; Alleen voor zijn zonen werd het zo verordend, En zo zal het blijven van geslacht tot geslacht.
13Of twisted scarlet the work of an artist, with precious stones cut and set in gold, and graven by the work of a lapidary for a memorial, according to the number of the tribes of Israel.
14Zijn offer werd geheel verteerd, Bestendig, tweemaal iedere dag.
14And a crown of gold upon his mitre wherein was engraved Holiness, an ornament of honour: a work of power, and delightful to the eyes for its beauty.
15Moses stelde hem tot priester aan, En zalfde hem met heilige olie. Het werd voor hem een eeuwig verbond, En voor zijn geslacht, als de dagen des hemels: Om Hem te dienen, zijn priester te zijn, En zijn volk te zegenen met zijn Naam.
15Before him there were none so beautiful, even from the beginning.
16Uit alle levenden koos Hij hem uit, Om brandoffers en de beste stukken te offeren, Om geurige wierook en het reukoffer te branden, En om verzoening te verkrijgen voor zijn volk.
16No stranger was ever clothed with them, but only his children alone, and his grandchildren for ever.
17Hij vertrouwde hem zijn geboden toe, En gaf hem macht over recht en wet: Om aan zijn volk de wet te leren, Het recht aan de kinderen van Israël.
17His sacrifices were consumed with fire every day.
18Onbevoegden stonden tegen hem op Uit afgunst in de woestijn: De mannen van Datan en Abiram, En de bent van Kore in hevige twist.
18Moses filled his hands and anointed him with holy oil.
19Maar Jahweh zag het en ziedde van woede, En verdelgde hen in gloeiende toorn; Een wonder zelfs wrochtte Hij tegen hen, En verteerde hen in zijn laaiend vuur.
19This was made to him for an everlasting testament, and to his seed as the days of heaven, to execute the office of the priesthood, and to have praise, and to glorify his people in his name.
20Maar aan Aäron gaf Hij nog hoger luister, Door hem een eigen erfdeel te schenken; Hij gaf voor zijn onderhoud de heilige tienden, En de offers van Jahweh mochten zij eten.
20He chose him out of all men living, to offer sacrifice to God, incense, and a good savour, for a memorial to make reconciliation for his people:
no verse 21 in this text
21And he gave him power in his commandments, in the covenants of his judgments, that he should teach Jacob his testimonies, and give light to Israel in his law.
22Maar in het land van het volk bezat hij geen deel, In hun midden kreeg hij geen erfgoed; Want Jahweh is zijn deel, Zijn erfgoed onder Israëls zonen.
22And strangers stood up against him, and through envy the men that were with Dathan and Abiron, compassed him about in the wilderness, and the congregation of Core in their wrath.
23Vervolgens Pinechas, de zoon van Elazar: Hij was de derde, die dit ambt bekleedde, Omdat hij voor den God van het heelal had geijverd, En in de bres was gesprongen voor zijn volk; Zijn hart had hem daartoe aangedreven, Om verzoening te verwerven voor Israëls kinderen.
23The Lord God saw and it pleased him not, and they were consumed in his wrathful indignation.
24Daarom sloot Hij ook met hem een verbond, Een verbond van vrede, om het heiligdom te verzorgen, Zodat bij hem en bij zijn geslacht Het hogepriesterschap voor eeuwig zou blijven.
24He wrought wonders upon them, and consumed them with a flame of fire.
25Het was dus een verbond als dat met David, Den zoon van Jesse, uit Juda's stam: Want zoals de erfenis des konings alleen overgaat op zijn zonen, Zo ook het erfdeel van Aäron op heel zijn geslacht. Zegent dus Jahweh, die zo goed voor u is, En die met luister u heeft gekroond!
25And he added glory to Aaron, and gave him an inheritance, and divided unto him the firstfruits of the increase of the earth.
26Hij moge u wijsheid des harten verlenen, Om zijn volk rechtvaardig te richten, Opdat uw geluk niet zal tanen, Noch uw macht tot in verre geslachten.
26He prepared them bread in the first place unto fulness: for the sacrifices also of the Lord they shall eat, which he gave to him, and to his seed.
no verse 27 in this text
27But he shall not inherit among the people in the land, and he hath no portion among the people: for he himself is his portion and inheritance.
no verse 28 in this text
28Phinees the son of Eleazar is the third in glory, by imitating him in the fear of the Lord:
no verse 29 in this text
29And he stood up in the shameful fall of the people: in the goodness and readiness of his soul he appeased God for Israel.
no verse 30 in this text
30Therefore he made to him a covenant of peace, to be the prince of the sanctuary, and of his people, that the dignity of priesthood should be to him and to his seed for ever.
no verse 31 in this text
31And a covenant to David the king, the son of Jesse of the tribe of Juda, an inheritance to him and to his seed, that he might give wisdom into our heart to judge his people in justice, that their good things might not be abolished, and he made their glory in their nation everlasting.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.